Vruchtbaarheidsklinieken nog onvoldoende patiëntgericht

0
552

Artsen onderschatten het belang van patiëntgerichte zorg bij vruchtbaarheidsproblemen. De Nederlandse vruchtbaarheidszorg sluit nog onvoldoende aan bij de behoeftes van de patiënt. Dat concludeert Inge van Empel van de afdeling gynaecologie van het UMC St Radboud.

Arts onderschat belang van patiëntgerichte vruchtbaarheidszorg

Van Empel ontwikkelde een vragenlijst die voor het eerst in kaart brengt hoe patiëntgericht klinieken zijn. Daaruit blijkt dat patiënten vooral een vast aanspreekpunt en goede informatievoorziening missen. Van Empel promoveert op 30 juni op haar onderzoek naar patiëntgerichtheid bij vruchtbaarheidsproblemen.

Wereldwijd wordt één op de tien paren met onvruchtbaarheid geconfronteerd. Meer dan de helft van hen zoekt hulp en zo’n 70 procent van hen krijgt uiteindelijk een baby dankzij moderne vruchtbaarheidstechnieken. Vruchtbaarheidszorg van hoge kwaliteit dient te voldoen aan scherpe eisen. Momenteel vindt vooral registratie plaats van de effectiviteit en veiligheid, maar ook tijdigheid, toegankelijkheid, efficiëntie en patiëntgerichtheid zijn belangrijk. Voor het meten van patiëntgerichtheid ontbraken tot nu toe goede methoden.

Daarom liet Van Empel patiënten definiëren wat zij onder ‘patiëntgerichtheid’ verstaan: belangrijke factoren zijn onder meer goede informatie en communicatie, een geïnteresseerde houding van de zorgverleners, betrokkenheid van de patiënt in het zorgproces, goede samenwerking tussen zorgverleners en emotionele begeleiding. Vervolgens maakte Van Empel het begrip voor het eerst meetbaar dankzij een vragenlijst, de ‘PCQ-infertility’ genaamd, waarmee ze onderzoek deed bij een groot aantal Nederlandse vruchtbaarheidsklinieken.

Onderschatting
Van Empel ontdekte dat patiënten meer belang hechten aan patiëntgerichte zorg dan artsen denken. Zo werd aan een groot aantal artsen en patiënten gevraagd welke aspecten zij belangrijk vinden in hun keuze voor een vruchtbaarheidskliniek.

Hierbij konden ze het belang aangeven van zwangerschapskans, reistijd en van drie ‘patiëntgerichte’ criteria; goede informatievoorziening, houding van de arts en het hebben van één hoofdbehandelaar. Artsen denken dat patiënten vooral belang hechten aan een grote zwangerschapskans. Uiteraard vinden patiënten dit erg belangrijk, maar ze zijn bereid om te kiezen voor een kliniek met een iets lagere zwangerschapskans, waarbij ze wel de gewenste begeleiding en informatie ontvangen.

Voor patiënten wegen goede informatievoorziening, een geïnteresseerde houding van de arts en een vaste arts op belangrijke momenten veel zwaarder dan artsen dachten. Ondanks de goede zorg die in Nederland geboden wordt, komen veel Nederlandse vruchtbaarheidsklinieken op deze punten nog te weinig tegemoet aan de patiënt.

Inge van Empel werkte in het onderzoek nauw samen met het Nijmeegse onderzoeksteam van prof.dr. Jan Kremer en dr. Willianne Nelen en met de Belgische onderzoekers prof. dr. Thomas D’ Hooghe en Eline Dancet van de Katholieke Universiteit Leuven.