Volksgezondheid ondergeschikt bij antibioticagebruik diersector

0
497

GGD Nederland is van mening dat de gezondheidssector meer betrokken moet worden bij, en sturing moet hebben op de problemen in de diersector. Net als bij de Q-koorts is er bij de problematiek rondom het antibioticagebruik een relatie tussen de intensieve veehouderij en de humane sector. Op 13 april a.s. wordt het Algemeen Overleg over dierziekten van de Kamercommissies EL&I en VWS over dierziekten gehouden. GGD Nederland heeft ten behoeve van dit overleg haar drie standpunten kenbaar gemaakt.

Realisatie reductiedoelen
Op 8 december heeft staatssecretaris Bleker van EL&I in een brief aan de Tweede Kamer extra maatregelen aangekondigd om de geplande reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij te realiseren. Dat betekent t.o.v. 2009 een vermindering van 20% in 2011 en 50% in 2013. Het is onduidelijk of met deze algemeen geformuleerde doelstellingen in alle sectoren de resistentieproblematiek even voortvarend wordt opgepakt. Wij missen een gedegen onderbouwing van de gestelde reductiedoelen gerelateerd aan de specifieke problemen (zoals ESBL en MRSA) in verschillende diersectoren (zoals bijvoorbeeld de pluimveehouderij en de varkenshouderij).

Samenwerking humane en veterinaire sector moet beter
GGD Nederland vindt dat de gezondheidssector meer betrokken moet worden bij en sturing moet hebben op de problemen in de diersector. Net als bij de Q-koorts is er bij de problematiek rondom het antibioticagebruik een relatie tussen de intensieve veehouderij en de humane sector. Ook hier is het van belang dat beide kolommen proactief en nauw samenwerken, tijdig informatie uitwisselen en verbanden weten te leggen. Binnen de diersector worden de laatste generaties antibiotica, zoals cefalosporinen en chinolonen, veelvuldig ingezet. Doch deze antibiotica worden als laatste redmiddel ingezet op de intensive care afdelingen van ziekenhuizen. We maken hier ons ernstig zorgen over. Ook krijgen de GGD’en signalen uit de ziekenhuizen, dat er een toename is van infecties zoals blaasontstekingen met ESBL besmettingen.
De GGD’en zijn onvoldoende in staat om de risico’s voor de volksgezondheid in te schatten omdat informatie uit de diersector ontbreekt. Zoals het niet bekend zijn van verschillen in antibioticagebruik per soort bedrijf, of en waar resistente bacteriën zich in het milieu bevinden en wat hiervan de risico’s zijn.

Het RIVM doet in het rapport “Risk profile on antimicrobial resistance transmissible from food animals to humans” (RIVM rapport 330334001; 2010 met erratum 28-02-2011) heldere aanbevelingen voor de noodzakelijke verbeteringen tussen de humane en veterinaire sector. Wij onderschrijven deze aanbevelingen.

Oefenen bij dierziektecrises
In de motie van het lid Ormel c.s. (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 474, nr. 4) wordt gepleit voor jaarlijkse oefening om te toetsen in hoeverre de verschillende samenwerkende organisaties in de veterinaire infrastructuur paraat zijn voor een uitbraak van een bestrijdingsplichtige dierziekte. Dit vinden wij een goede zaak. Maar de belangrijke link met de humane sector wordt hierin gemist. Dit kwam ook uit één van de conclusies in het evaluatierapport Q-koorts van de commissie Van Dijk naar voren. Het is voor beide sectoren van groot belang dat multidisciplinaire oefeningen worden gehouden voor de bestrijding van infectieziekten, zowel op bestuurlijk (nationaal en lokaal) als op professioneel niveau.