Verbeterd topsportklimaat blijft achter bij concurrentie

0
542

Prof.dr. Maarten van Bottenburg presenteerde donderdag 9 augustus 2012 in Londen het onderzoeksrapport ‘Bloed, zweet en tranen’, over het topsportklimaat in Nederland. Betrokkenen vinden het topsportklimaat in Nederland de laatste jaren verbeterd, maar ze beoordelen het over de gehele linie lager dan in 2008, gemiddeld namelijk met een 6,3. Van Bottenburg onderzocht hoe het topsportklimaat in Nederland ervoor staat, en hoe dat zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.

Het onderzoek onder topsporters, topcoaches en topsportcoördinatoren laat een tweezijdig beeld zien van het topsportklimaat anno 2011. Hoogleraar Sportontwikkeling Van Bottenburg: ‘Aan de ene kant zeggen de direct betrokkenen dat het topsportklimaat in de afgelopen jaren verder is verbeterd. Aan de andere kant heeft deze verbetering niet in alle takken van sport geleid tot een verbetering van de internationale concurrentiepositie. Veel landen hebben hun topsportinvesteringen verder opgeschroefd, waardoor het niveau van de internationale top steeds hoger is komen te liggen. Er is meer nodig om die top te halen: voltijdse sportbeoefening op jongere leeftijd, de beste trainers met wetenschappelijk onderbouwde trainingsmethoden, optimale accommodaties en materialen, enzovoort. Die ondersteuning kan niet voor iedereen in gelijke mate beschikbaar worden gesteld.’

Meer investeringen in topsport
De verbetering van het topsportklimaat in Nederland blijkt onder andere uit het feit dat met name vanuit de rijksoverheid de afgelopen vier jaar opnieuw meer in topsport geïnvesteerd is dan voorheen. De investeringen in de Olympische cyclus naar Londen bedroegen meer dan het dubbele van de investeringen in de vier jaar voor Sydney. Ook krijgen talentherkenning en -ontwikkeling meer aandacht dan voorheen en meer topsporters en topcoaches zijn in staat om zich voltijds op topsport toe te leggen.

Lager cijfer
Er zijn echter ook ontwikkelingen die bijgedragen aan de lagere becijfering van het topsportklimaat; de beschikbaarheid van trainingsaccommodaties is bijvoorbeeld een steeds groter knelpunt. Talentidentificatie en talentontwikkeling komen op een hoger plan, maar daardoor wordt het gebrek aan specifiek opgeleide talentcoaches duidelijker. ‘Voor veel topsporters is het Nederlandse topsportsysteem goed om naar de top te streven, maar wanneer die top in zicht komt of is bereikt, wordt door toppers het klimaat soms eerder als knellend dan als stimulerend ervaren’ aldus Van Bottenburg. De verslechterde economische situatie lijkt ook van invloed: topsporters zijn somberder over hun maatschappelijke carrière na hun topsportloopbaan. De Nederlandse bevolking is ook kritischer geworden ten aanzien van een verdere stijging van topsportinvesteringen uit collectieve middelen.

Langdurig internationaal onderzoek
Van Bottenburg ontwikkelde met Utrechtse collega’s en collega-onderzoekers van het Mulier Instituut in 1998 de topsportklimaatmeting. In 2002 en 2008 voerde hij de meting opnieuw uit op verzoek en met ondersteuning van het ministerie van VWS en NOC*NSF. Het onderzoek maakt deel uit van een groot internationaal-vergelijkend onderzoeksproject, SPLISS (Sports Policy factors Leading to International Sporting Success) waarbij 16 landen betrokken zijn. Een verslag van de internationale vergelijking volgt in 2013.