Synthetische botvervanger maakt extra ingreep overbodig

0
630

Bij veel patiënten die een tandheelkundig implantaat krijgen, moet het ondersteunende kaakbot eerst worden aangevuld om voldoende houvast te bieden. Dat gebeurt meestal met eigen botweefsel, bijvoorbeeld uit iemands bekkenkam. Een belastende ingreep, die het risico op complicaties vergroot.

De afdeling Tandheelkunde (vakgroep Biomaterialen) van het UMC St Radboud ontwikkelde een synthetische botvervanger die makkelijk injecteerbaar is en wordt omgezet in natuurlijk bot. Jan Willem Hoekstra paste het materiaal toe in diermodellen, met veelbelovende resultaten. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of het ook toepasbaar is bij mensen. Op vrijdag 23 augustus 2013 verdedigt Hoekstra zijn proefschrift bij het UMC St Radboud.

Per jaar worden in Nederland zo’n 125.000 tandheelkundige implantaten geplaatst. Daarbij wordt een kunstwortel in het kaakbot van de patiënt geschroefd als houvast voor een kroon, brug of prothese. Om een implantaat te kunnen plaatsen, is voldoende kaakbot nodig. Maar na het trekken van tanden of kiezen slinkt het kaakbot na verloop van tijd, waardoor het te dun kan worden voor een implantaat. Bij nogal wat patiënten wordt het ondersteunende kaakbot dan eerst aangevuld met eigen botweefsel, bijvoorbeeld uit de bekkenkam, kin, kaakhoek of ribben. Deze extra ingreep is niet alleen belastend, maar vergroot ook het risico op complicaties.

Sponsachtige structuur
Tijdens zijn promotieonderzoek bij het UMC St Radboud paste Jan Willem Hoekstra synthetisch botmateriaal toe om het ondersteunende kaakbot op te vullen. Hij gebruikte calciumfosfaat dat gelijk is aan het mineraal in bot, maar veranderde daaraan twee belangrijke eigenschappen: de structuur en de oplosbaarheid. “Calciumfosfaat is verkrijgbaar in korrelvorm of als een soort vaste blokjes. Wij hebben er een tandpasta-achtige substantie van gemaakt, die je gemakkelijk kunt injecteren”, legt hij uit. “Calciumfosfaat lost echter slecht op, het is hard materiaal. Wij hebben geprobeerd om dit cement poreuzer te maken met een speciaal soort kunststof bolletjes. Deze gaven het materiaal een sponsachtige structuur die door het lichaam beter wordt afgebroken.”

Beste formule gevonden
Om het materiaal te testen, gebruikte Hoekstra verschillende diermodellen. In de experimenten werd een kunstmatig botdefect gecreëerd, dat vergelijkbaar is met botdefecten bij mensen na het trekken van een tand of kies. “Onze botvervangende materialen bleken in bijna alle studies gelijk te presteren aan eigen bot. Soms werd het materiaal bijna volledig omgezet in natuurlijk bot. De vraag was vooral hoe poreus het cement moest zijn, maar we hebben nu een formule gevonden die het beste werkt.”

Grote hoeveelheden maken nog lastig
Het klinkt veelbelovend, maar het materiaal heeft ook nadelen, beaamt Hoekstra. Het is bijvoorbeeld moeilijk om in grote hoeveelheden te maken. Verder is het lastig om steeds dezelfde dikte of injecteerbaarheid te krijgen. “Wij hebben enkel met kleine hoeveelheden gewerkt, maar toen we de hoeveelheden groter maakten, kregen we problemen met de mengverhoudingen. Je wilt de pasta bovendien kunnen gebruiken in de OK, maar er is nog geen kant-en-klare steriele verpakking. Vooraf klaarmaken kan niet, want zodra het is gemengd, is het binnen een kwartier uitgehard. Er is dus nog werk aan de winkel.”

Botmateriaal uit een potje
Volgens Hoekstra duurt het zeker vijf tot tien jaar voordat de synthetische botvervanger commercieel toepasbaar is. Een nieuw tandheelkundig product op de markt brengen, is een langdurig proces. Maar hij heeft vertrouwen in het materiaal. “Het belangrijkste voordeel is dat je geen tweede wond hoeft te maken, dat is wel zo prettig voor de patiënt. Ook voor de zorgverzekeraar is het een stuk goedkoper als je botmateriaal uit een potje kunt gebruiken in plaats van uit iemands heup. Veel patiënten houden daarna bovendien chronische pijn bij het lopen, tot een jaar na de ingreep.”