Symposium Literatuur en Geneeskunde

Op woensdag 21 september 2011 vindt het jaarlijkse symposium Literatuur en Geneeskunde plaats, dat deze keer over kanker gaat. Er zijn bijdragen van onder andere Manon Uphoff en Ronald Giphart, dagvoorzitter is journalist/schrijver John Jansen van Galen. In de aanloop naar het symposium toe bespreekt Arko Oderwald zes boeken waarin ontspoorde cellen de hoofdrol spelen. Deze keer ‘Een verhaal op bijna klassieke wijze’ van Harold Brodkey.

Harold Brodkey staat ook wel bekend als de Amerikaanse Proust. Lange meanderende zinnen zijn z’n handelsmerk, maar eerlijk gezegd wordt Proust daarin door hem niet overtroffen. Brodkey is verder vooral bekend geworden door zijn nietsontziende verslag van zijn eigen ziekbed ten gevolge van AIDS, dat in 1993 eerst in The New Yorker verscheen en daarna in boekvorm onder de titel ‘Het verhaal van mijn dood’.

In 1988 verscheen zijn bundel ‘Verhalen op vrijwel klassiek wijze’, waarin zijn verhalen vanaf 1963 zijn opgenomen. Hierin staat het titelverhaal: ‘Een verhaal op bijna klassieke wijze’. De hoofdpersoon is Harold Brodkey zelf, aangenomen kind van Joseph en Doris Brodkey.

Joseph Brodkey “was voor in de veertig en had zo’n hoge bloeddruk dat het volgens artsen een wonder mocht heten dat hij nog leefde. Hij zat voortdurend naar zichzelf te luisteren, naar de fysiologische getijdenbewegingen in hem; hij kon elk moment door een beroerte worden getroffen.” Doris Brodkey was “aan kanker geopereerd, borstkanker: dat wil zeggen, er was één operatie en enig voorzichtig optimisme geweest en toen een tweede operatie; en nu viel er niets meer weg te halen en was er helemaal geen optimisme meer.” Harold is dan een jaar of vijftien en omdat zijn vader permanent in het ziekenhuis ligt, is hij alleen thuis met zijn moeder. Dat is geen pretje, want Doris hanteert op klassieke wijze de double bind strategie. Als Harold een tegenzin lijkt te hebben om haar te omhelzen, dan verwijt zij hem dat, maar als hij haar omhelst, schreeuwt ze het uit van de pijn. “Ik ben met jou dubbel gestraft, jij helpt me het graf in, denk je dat ik je om de hals vlieg! Ik ben dat gedoe van jou meer dan zat! Ik word gek van je, weet je dat wel! Je jaagt me ook nog het gekkenhuis in op de koop toe.”

“Uiteindelijk”, zo schrijft Brodkey, “had ik het in de gaten: ze snakte naar een bepaald soort verheven filmdialoog: ‘Doet het vandaag al wat minder pijn moeder?’ ‘Nee… Nee… ik houd het niet meer uit.’ ‘Is de zuster vandaag dan niet langs geweest om u de morfine injecties te geven?’ zei ik dan op de toon van een dokter, kalm, vaderlijk. ‘Hou op over morfine! Ik wil niet aan morfine denken!’ zei ze dan als een opstandig meisje of als een koketterende vrouw.” Inderdaad, sommige patiënten wens je zelfs je ergste vijand niet toe.

Auteur: Arko Oderwald

Aanmelden: Symposium Literatuur en Geneeskunde

Plaats een reactie