Specialistenrecept verschilt per regio

0
557

Specialisten schrijven minder vaak een goedkoop geneesmiddel voor dan huisartsen. Met gemiddeld bijna 69% in de eerste helft van 2011 lag dit aandeel bij specialisten lager dan de ruim 75% bij huisartsen. Voorschriften van specialisten aan patiënten in de regio Gorinchem komen het dichtst bij het huisartsencijfer.

Begin 2011 hebben de Orde van Medisch Specialisten, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en minister Schippers van Volksgezondheid een akkoord gesloten over de bekostiging van medisch specialisten. Onderdeel van dit akkoord is een doelmatiger voorschrijfgedrag van medisch specialisten voor geneesmiddelen buiten het ziekenhuis.

Dit moet tot uitdrukking komen in een groter aandeel multi–source geneesmiddelen, dat is de afgeleide doelstelling die de Orde heeft vastgelegd in de Leidraad doelmatig voorschrijven van medisch specialisten. Multi–source geneesmiddelen zijn geneesmiddelen waarvan het patent is verlopen en waarvoor één of meerdere merkloze, equivalente varianten beschikbaar zijn. In die zin kunnen onderstaande bevindingen van de SFK gezien worden als een referentie voor de toekomstige ontwikkelingen.

Specialisten versus huisartsen
Uitgedrukt in standaarddagdoseringen (DDD) is 54,7% van de in de eerste helft van 2011 door openbare apotheken afgeleverde hoeveelheid geneesmiddelen die door specialisten zijn voorgeschreven, een multi–source geneesmiddel. Dit aandeel was met 67,8% bij de door huisartsen voorgeschreven geneesmiddelen aanzienlijk groter.

Verschil in de mate waarin specialisten en huisartsen geneesmiddelen voorschrijven uit de verschillende groepen maken deze percentages echter niet geheel vergelijkbaar. Zo maken de statines, op basis van DDD’s bij de specialisten 5,7% uit van alle receptplichtige geneesmiddelen, terwijl dat bij huisartsen op 7,0% ligt. De SFK heeft daarom het onderzoek beperkt tot de vijftien geneesmiddelgroepen die specialisten het vaakst voorschrijven, en waarbinnen voldoende multi–source geneesmiddelen beschikbaar zijn. Hierbinnen is gecorrigeerd voor het feit dat specialisten naar verhouding vaker of juist minder vaak sommige geneesmiddelgroepen voorschrijven dan huisartsen. Tot de vijftien geneesmiddelengroepen behoren onder meer protonpompremmers, statines, ACE–remmers, AT1–antagonisten en SSRI’s*. Bij specialisten bedraagt na correctie het aandeel multi–source geneesmiddelen binnen deze geneesmiddelengroepen, uitgedrukt in DDD’s, 68,9%. Voor huisartsen komt dit aandeel uit op 75,4%. De correctie maakt de verschillen tussen huisartsen en specialisten wel kleiner, maar het verschil is nog steeds aanmerkelijk.

Regionale verschillen
Tussen regio’s lopen de verschillen in het aandeel multi–source geneesmiddelen van specialistenvoorschriften uiteen. Om deze regionale verschillen in kaart te brengen, hanteert de SFK de indeling naar AWBZ–regio. Ook deze regionale cijfers zijn, net zoals de landelijke, gecorrigeerd voor de verschillen in de mate van voorschrijven uit de verschillende geneesmiddelgroepen. De regiocijfers zijn gebaseerd op de door specialisten voorgeschreven geneesmiddelen aan patiënten die in de betreffende regio woonachtig zijn. De specialistenreceptuur in de regio Waardlanden (Gorinchem en omstreken) komt met 72,5% het dichtst in de buurt van het landelijk huisartsengemiddelde. Andere regio’s met een groot aandeel multi–source zijn: Stedendriehoek (Apeldoorn), Nijmegen en West–Brabant. De regio met het kleinste aandeel multi–source is Midden–Holland (Gouda) met 63,9%. Andere regio’s met een kleine aandelen zijn Zwolle, Zaanstreek–Waterland, Haaglanden, Zeeland en Zuid–Limburg.

Binnen de geselecteerde geneesmiddelengroepen zijn de regionale verschillen het grootst bij statines, mezelazines en verwante verbindingen, AT1–antagonisten en corticosteroïden voor nasaal gebruik.

Aandeel multi–source geneesmiddelen bij medisch specialisten per regio


* De vijftien geneesmiddelengroepen waartoe de SFK zich heeft beperkt in dit onderzoek

Geneesmiddelgroep Toepassing ATC4-code
Protonpompremmers Maagzuurproductieremming A02BC
Mesalazine en verwante verbindingen Bij chronische darmontstekingen A07EC
Trombocytenaggregatieremmers Bloedstollingsremming B01AC
Foliumzuur en derivaten o.a. bij anemie B03BB
Sulfonamiden plasmiddelen C03CA
Selectieve bèta–blokkers o.a. bloeddrukverlaging, bij hartritmestoornissen C07AB
Dihydropyridinederivaten Selectieve calciumantagonisten o.a. bij angina pectoris C08CA
Ace–remmers Bloeddrukverlaging C09AA
AT1–antagonisten Bloeddrukverlaging C09CA
Cholesterolsyntheseremmers (statines) Cholesterolverlaging C10AA
Glucocorticosteroïden voor systemisch gebruik Ontstekingsremming H02AB
Selectieve serotonine–heropnameremmers (SSRI’s) Bij depressie N06AB
Centraalwerkende sympathicomimetica Psychostimulantia, o.a. middelen bij ADHD N06BA
Corticosteroïden voor nasaal gebruik Ontstekingsremming in neus R01AD
Bèta–blokkers voor oogheelkundig gebruik Bij glaucoom S01ED