Sociaaleconomische en etnische verschillen spelen rol in het krijgen van hart- en vaatziekten

0
582

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) concludeert dat er in de Nederlandse gezondheidszorg onvoldoende wordt gedaan om gezondheidsverschillen naar sociaaleconomische status en etniciteit tegen te gaan.

Dit blijkt uit een onderzoek dat de IGZ in samenwerking met de Erasmus MC deed naar de zorguitkomsten van hart- en vaatziekten en de rol die leefstijlfactoren hierin spelen bij mensen met een lage sociaal economische status en eveneens bij mensen met een andere etniciteit.

Sociaaleconomische verschillen

Hart- en vaatziekten komen vaker voor bij mensen met een lager inkomen. Ongezond gedrag verklaart deels het verschil in het aantal gevallen van hart en vaatziekten.

Mensen met laag inkomen hebben een 50-60 procent grotere kans om aan een hart- en vaatziekte te overlijden vergeleken met mensen met een hoger inkomensniveau. Het optreden van nieuwe gevallen van hart- en vaat ziekten onder mensen met een lager inkomen is ongeveer 25 procent hoger dan onder mensen met een hoger inkomen.

Mensen met een lager inkomen hebben een grotere kans om te overlijden kort na een ziekenhuisopname. Mensen met een laag inkomen, die met een hart- of vaataandoening opgenomen zijn in een ziekenhuis, hebben ongeveer een 45 procent grotere kans om binnen een maand na opname te overlijden dan mensen met een hoog inkomen.

De sterftekans kan beïnvloed worden door verschillende factoren zoals patiënten die meerdere aandoeningen hebben of een vertraagde zorg. Nadere analyses laten zien dat er belangrijke verschillen zijn in het gebruik van specialistenzorg, ook voor mensen met hart- en vaataandoeningen. Er zijn echter geen verschillen in gebruik van cardiochirurgische verrichtingen.

Etnische verschillen
Verschillen in de kans op hart en vaatziekten tussen niet westerse allochtonen en autochtonen variëren sterk per etniciteit. Marokkanen hebben een beduidend lagere kans op hart- en vaatziekten, terwijl allochtonen afkomstig uit Turkije, Suriname, en Antillen/Aruba een iets verhoogde kans hebben.

Verschillen in de kans op hart- en vaatziekten tussen niet westerse allochtonen en autochtonen variëren sterk per etniciteit. Marokkanen hebben een beduidend lagere kans op hart- en vaatziekten, terwijl allochtonen afkomstig uit Turkije, Suriname, en Antillen/Aruba een iets verhoogde kans hebben. Het is waarschijnlijk dat een deel van de etnische verschillen verklaard kunnen worden door gezondheidsgerelateerd gedrag. De sterfte aan deze aandoeningen onder allochtonen weerspiegelt de mate waarin de aandoeningen voorkomen.

De sterfte aan hart- en vaataandoeningen onder allochtonen, vergeleken met de sterfte onder autochtone Nederlanders, is een directe afspiegeling: een zeer lage sterftekans voor Marokkanen en een iets verhoogde sterftekans voor andere allochtone groepen. Waarschijnlijk zijn er geen andere factoren die de sterftekansen van allochtonen beïnvloeden.

Conclusies
1. Het verklaren van sociaaleconomische verschillen in hart- en vaataandoeningen is complex: de slechtere uitkomsten van hart- en vaatziekten bij mensen met een lagere sociaaleconomische positie zijn het resultaat van een veelvoud aan factoren.

2. De factoren gerelateerd aan (on)gezond gedrag hangen sterk samen met de mate waarin hart- en vaatziektes voorkomen en kunnen een groot deel van de sociaaleconomische verschillen verklaren. Dit laat het grote belang van preventieve zorg zien.

3. Een laag gebruik van specialistenzorg en grote verschillen in sterftekans wijzen op het belang van verschillen in toegankelijkheid of kwaliteit van curatieve zorg bij het verklaren van verhoogde cardiovasculaire sterfte onder mensen met een lager inkomen.

4. De verschillen in de mate waarin de aandoeningen optreden en sterfte naar etniciteit zijn globaal genomen veel kleiner dan die naar sociaaleconomische status. Deze verschillen worden hoofdzakelijk bepaald door verschillen in gezondheidsgerelateerd gedrag. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat curatieve gezondheidszorg hier een rol speelt. Daarom is het nemen van preventieve maatregelen, die gericht zijn op de allochtone bevolking, van primair belang om verschillen in uitkomsten van hart en vaatziekten tussen de allochtone en autochtone bevolking te verminderen.