Ruim helft amateurvoetballers raakt jaarlijks geblesseerd

0
695

Het UMC Utrecht en de KNVB hebben de afgelopen twee jaar een groot onderzoek naar blessures in het amateurvoetbal verricht. In het onderzoek werden 23 teams van twee KNVB-districten een seizoen lang gevolgd. Gedurende het seizoen raakte 60% van de spelers geblesseerd, voornamelijk aan het bovenbeen, de knie of enkel. Het maakte daarbij niet uit of de spelers zich hadden voorbereid op de training volgens de FIFA-warming up-methodiek ‘De11’.

In Nederland treden jaarlijks ongeveer 3,7 miljoen acute en overbelastingblessures in de sport op. Ongeveer 620.000 van deze sportblessures is het gevolg van veldvoetbal. Preventie van voetbalblessures is vanuit een sociaal maatschappelijk, economisch en vooral sportief oogpunt erg belangrijk. Daarom hebben de KNVB en het UMC Utrecht gezamenlijk een groot onderzoek naar voetbalblessures en blessurepreventie verricht.

Opzet onderzoek
In het seizoen 2009-2010 zijn 23 teams van de eersteklasse-amateurs van de zaterdagafdeling uit de districten Noord en Zuid I gevolgd. Het ging daarbij om mannelijke, volwassen spelers. In district Noord deden 223 spelers aan ‘De11’ mee; district Zuid I bestond uit 233 spelers, die trainden zoals te doen gebruikelijk. De gemiddelde leeftijd van de spelers was 24,8 jaar en gemiddeld speelden zij al 17,5 jaar voetbal.

De teams in de interventiegroep werden geïnstrueerd om de warming up voor de training volgens de FIFA-methodiek ‘De11’ uit te voeren. ‘De11’ bestaat uit 10 oefeningen en richt zich voornamelijk op het verbeteren van coördinatie, stabiliteit, wendbaarheid en spierkracht in de benen. Alle deelnemers uit de controlegroep werd gevraagd om hun gebruikelijke warming-up voort te zetten. In het onderzoek werd vooral gekeken naar het aantal en de aard van de voetbalblessures en het bijbehorende herstel. De trainers, verzorgers en spelers van de 23 clubs werkten actief mee aan het onderzoek door hun trainings- en wedstrijduren en voetbalblessures te registeren. De gegevens werden verzameld middels het Blessureregistratie Informatie Systeem (BIS) van TNO.

Resultaten
Gedurende het seizoen raakte 60% van de spelers geblesseerd. In totaal zijn 427 blessures geregistreerd, waarvan 81% acuut. In beide districten kwamen nagenoeg evenveel blessures voor, maar er werden meer knieblessures in de controlegroep waargenomen. De meeste blessures kwamen voor aan de enkel (19%), de hamstrings en de knie (beiden 16%). Prof. dr. Frank Backx, hoogleraar sportgeneeskunde bij het UMC Utrecht: “Het hoge percentage hamstringblessures in het amateurvoetbal heeft ons verrast. Het is voor ons aanleiding om dit nader te bestuderen.”

In de helft van de gevallen ging het om spier- en peesblessures en bij ruim een kwart van de blessures om letsel aan gewrichten en bindweefsel (27%). Bij zes van de tien van de voetballers werd de blessure behandeld met ijs en/of koeling; ruim de helft van de spelers bezocht een fysiotherapeut. Bij 70% van de spelers duurde het één tot vier weken tot zij hersteld waren. Het doorsnee sportverzuim duurde 16 dagen. Slechts 5% verzuimde door de blessure van werk of school. Ruim een kwart had bij sporthervatting nog restklachten (vooral pijn).

Ton van Klaveren, manager SMC bij de KNVB, benadrukt dat het onderwerp blessurepreventie een belangrijk uitgangspunt is voor de grootste nationale sportbond: “Voetbal is volkssport nummer één. Wekelijks voetballen meer dan een miljoen mensen van alle leeftijden, uit alle lagen van de samenleving en op alle niveaus. Uit onderzoek komt naar voren dat de maatschappelijke baten van actief sporten hoger zijn dan de lasten. Zo zijn actieve voetballers minder vaak ziek en hebben ze ook minder last van andere gezondheidsklachten. De balans slaat dus door naar de positieve gezondheidseffecten. Waar gesport wordt, zijn helaas ook blessures. Dit neemt niet weg dat wij het belangrijk vinden om tot een vermindering van het aantal blessures in de gehele voetbalsport te komen. We willen dat iedereen op plezierige wijze de voetbalsport kan beoefenen.”