Hulp bij zelfdoding: Psychiaters laten patienten niet aan hun lot over

0
611

“De ontstane beeldvorming in de media dat psychiaters patiënten met een verzoek om hulp bij zelfdoding aan hun lot overlaten en de maatschappij met de ernstige gevolgen daarvan opzadelen, is niet volgens de realiteit. Omgang met nadrukkelijke doodswensen gebeurt juist in alle zorgvuldigheid.

Het gaat hier om ethisch zeer lastige en uitzonderlijke situaties, waarin langdurig onvrijwillig opgenomen patiënten die ondraaglijk en uitzichtloos lijden verzoeken om hulp bij zelfdoding doen. Maar ook in deze extreme gevallen zetten wij patiënten in elk geval niet zomaar op straat”, aldus de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) in reactie op beweringen in de media dit weekend, dat de beroepsvereniging psychiaters in een richtlijn adviseert om mensen met een doodswens per definitie de straat op te sturen.

Hulp bij zelfdoding
De NVvP richtlijn is een protocol voor psychiaters inzake de te volgen handelswijze bij een nadrukkelijk en herhaaldelijk verzoek om hulp bij zelfdoding van patiënten. De richtlijn maakt duidelijk dat de psychiater in een voorkomende situatie uitvoerig dient te bezien in hoeverre eventuele hulp bij zelfdoding strookt met de strenge zorgvuldigheidseisen die daaraan gesteld worden.

Het verzoek moet aan elk van deze eisen voldoen, eer een psychiater hulp bij zelfdoding mag verlenen. Jaarlijks wenden zich naar schatting ruim 300 mensen met een nadrukkelijk en herhaaldelijk verzoek tot hulp bij zelfdoding wegens psychiatrisch lijden tot een psychiater. Hulp bij zelfdoding is een uitzonderlijke handeling; in totaal wordt twee tot vijf maal per jaar hulp bij zelfdoding geboden.

Bijzondere situaties
In de richtlijn is een hoofdstuk opgenomen waarin bijzondere situaties worden behandeld. Indien een patiënt die onvrijwillig is opgenomen ondraaglijk lijdt, terwijl het juist door de stoornis die dat lijden veroorzaakt onmogelijk is te voldoen aan de zorgvuldigheidseisen, is dat ethisch een zeer lastige situatie. Voor de suïcidale patiënt voor wie geen enkel behandelperspectief meer bestaat, rest alleen nog de optie van een zeer langdurig suïcide voorkomend beleid, in de vorm van vrijheidsbeperkingen en dwangmaatregelen.

Een psychiater kan dan toch hulp bij zelfdoding verlenen, met de wetenschap dat hem mogelijk een vervolging door de rechter te wachten staat. Volgt de psychiater een minder officiële weg door de vrijheidsbeperkende maatregelen op te heffen, dan geeft hij de patiënt daarmee de gelegenheid de instelling te verlaten, in de wetenschap dat dit er zeer waarschijnlijk toe zal leiden dat deze -mogelijk alsnog met behulp van een psychiater- een eind aan zijn leven maakt.

De richtlijn van de NVvP stelt juist dat de mogelijkheid tot hulp bij zelfdoding moet worden besproken, alvorens de vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgeheven. Patiënten worden in elk geval niet de straat op gestuurd, altijd wordt dan op vrijwillige basis hulp geboden.

Bestuursvoorzitter prof. dr. Rutger Jan van der Gaag: “In deze bijzondere gevallen lopen we aan tegen de grenzen van wat de psychiatrie te bieden heeft. De vraag doet zich dan voor of de wet, die voorziet in het voorkomen dat iemand zich iets onherstelbaars aandoet, moet prevaleren boven het uitzichtloze lijden van een individu.

Hoewel er geen exacte getallen bekend zijn, benadrukken we dat dit maar zelden voorkomt. De ontstane ophef in de media dat wij patiënten met een doodswens per definitie de straat op sturen, willen we met deze reactie in ieder geval ontkrachten. Wij laten ook in extreme situaties patiënten niet aan hun lot over, maar respecteren dat wij hun doodswens moeten respecteren.

De kwaliteit van de NVvP-richtlijnen wordt geborgd middels een cyclisch traject van evaluatie en bijstelling. Hierdoor kan men er verzekerd van zijn dat, mochten door uitvoering in de praktijk nieuwe inzichten ontstaan, of uit recent onderzoek blijken dat bijstelling nodig is, de richtlijn wordt aangepast”.