Politiek moet oordelen over lot pedo-vereniging Martijn

0
602

Het gerechtshof in Leeuwarden heeft maandag 21 november 2011 uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre het Openbaar Ministerie (OM) terecht tot haar besluit heeft kunnen komen om de pedo-vereniging Martijn en haar bestuursleden niet strafrechtelijk te vervolgen. Het hof is van oordeel dat het OM bepaalt of er strafvervolging plaatsvindt. De voor het beleid van het OM verantwoordelijke minister van Veiligheid en Justitie heeft daarnaast in het kader van de vervolging een eigen aanwijzingsbevoegdheid. Op die wijze zijn naar het oordeel van het gerechtshof (beleids-)keuzes van het Openbaar Ministerie vatbaar voor politieke, in het bijzonder parlementaire, controle.

Volgens het hof is het beklagrecht op grond van artikel 12 Sv. een nauw omlijnde uitzondering op de hoofdregel, dat uitsluitend het OM beslist over de vraag of in een concreet geval vervolging van een bepaald strafbaar feit moet plaatsvinden. Klagers zijn naar het oordeel van het hof voor het grootste gedeelte niet als belanghebbenden aan te merken en zijn daarom voor het grootste gedeelte niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht.

Zo is het gerechtshof van oordeel dat een artikel 12 Sv.-procedure wel de mogelijkheid biedt om te klagen over door een criminele organisatie jegens klagers gepleegde misdrijven, maar dat artikel 12 Sv. geen ruimte biedt te klagen over het niet vervolgen van een criminele organisatie of deelname daaraan op zich.

Het hof komt niet toe aan beantwoording van de vraag of de op de site geplaatste afbeeldingen en/of foto’s als strijdig met de wet moeten worden beschouwd. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat klagers ook in dit onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk zijn. Er is – aldus het hof – geen enkele indicatie dat op de website www.martijn.org foto’s van de dochter van klagers staan of hebben gestaan. Dat betekent naar het oordeel van het hof, dat klagers door het achterwege blijven van een strafvervolging, met betrekking tot dit delict, niet zijn getroffen in het belang dat hen bepaaldelijk aangaat.

Ook overweegt het Hof dat door het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) onderzoek is ingesteld naar de website van Martijn en dat de conclusie van dit onderzoek luidde dat het openbare gedeelte van de website geen kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Daarnaast is het hof van mening dat klagers er niet over kunnen klagen dat het OM geen onderzoek heeft gedaan naar het gesloten gedeelte van de site.

Wel is het hof van oordeel dat klagers ontvankelijk zijn in hun klacht, voor zover deze betrekking heeft op de uitlokking en/of medeplichtigheid aan het verkrachten van en ontucht plegen met hun dochter.

Het hof is van oordeel dat, om beklaagden terzake van uitlokking of medeplichtigheid te kunnen vervolgen, er een relatie gelegd moet worden tussen de door beklaagden verstrekte informatie en de concrete, door de verdachte gepleegde, feiten jegens de dochter van klagers. Daarbij overweegt het hof dat, in een verhoor in juni 1991, de verdachte Geert B., inzake het onderzoek naar de gewelddadige dood van Semiya Metin, heeft gesteld dat hij, op een voorlichtingsavond van de Stichting Martijn over pedofilie, informatie heeft gekregen over het wissen van sporen, zoals sperma en bloed.

In het requisitoir ter gelegenheid van de behandeling van de strafzaak tegen Geert B. op 6 mei 2010, heeft de officier van justitie onder andere naar voren gebracht dat Geert B. verklaard heeft, dat hij van een pedo-vereniging tips heeft gekregen over hoe en op welke wijze hij gevaarloos in contact kon komen met meisjes. Ook overweegt het hof dat Geert B. beweerde dat hij van de vereniging Martijn had gehoord dat hij kinderpornografische bestanden nooit digitaal moest versturen, omdat dit sporen achterliet.

Het gerechtshof stelt in de beschikking voorop dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de andere beklaagden, de (voormalige) bestuursleden van Martijn, zelfstandig de feiten hebben uitgelokt of gepleegd. Nu er ook geen aanwijzingen zijn dat de uitlokking en/of medeplichtigheid zag op de gestelde strafbare feiten jegens de dochter van klagers, kan, aldus het hof, geenszins worden afgeleid dat het wilsbesluit van Geert B. om de dochter van klagers seksueel te misbruiken daartoe door Martijn is gewekt. Uit de werkwijze van Geert B. volgt – aldus het hof – dat hij voorafgaande aan het seksuele misbruik van het dochtertje van klagers reeds zijn slachtoffers zocht bij kinderen in zijn buurt, die hij ook kende. Daarmee zouden, aldus het hof, de inlichtingen van de vereniging Martijn geen aantoonbare bijdrage meer hebben geleverd aan de door Geert B. begane feiten jegens de dochter van klagers.

De conclusie van het hof is dan ook dat, voor zover klagers in hun klacht kunnen worden ontvangen, deze moet worden afgewezen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Marcel en Priscilla, de ouders van het door Geert B. misbruikte meisje, zijn zeer teleurgesteld over de beslissing van het Hof. Zij voelen zich als aangevers bij het OM en als klagers bij het hof, niet serieus genomen in hun strijd tegen de pedovereniging Martijn. “Martijn mag kennelijk gewoon doorgaan met haar walgelijke website waar foto’s van naakte kinderen op staan en waar afschuwelijke pedoseksuele verhalen op zijn te lezen (zie op website www.martijn.org: Martijn nr. 1, pag. 6, 2e kolom, met vervolg in Martijn nr. 2, pag. 8; zie ook Martijn 14, pag. 16 (kleine inleiding, met verhaal op pagina 19 van Martijn nr. 14). Wij mogen er niet over klagen van het hof. Wij hebben geprobeerd andere kinderen en ouders te beschermen tegen datgene wat ons is overkomen. Als wij het niet doen of mogen, wie doet het dan wel?

Letselschadespecialist Yme Drost, die Marcel en Priscilla bij staat, noemt de beschikking politiek geladen. “Merkwaardig is dat het hof geen letter wijdt aan het feit dat naar mijn mening de foto’s op de website in ieder geval aanstotelijk voor de eerbaarheid zijn, voorzover de foto’s niet kinderpornografisch zijn. Ook het OM gaat daar tot op heden volledig aan voorbij. Kennelijk ontbreekt de wil. Ik en mijn cliënten hebben er niet om gevraagd om, op zoek naar de activiteiten van Martijn, geconfronteerd te worden met naakte, althans aanstootgevende foto’s op een website van een pedofielenvereniging. De eerbaarheid is daarmee ontegenzeggelijk geschonden. Zowel het hof als het OM kunnen daar mijns inziens niet omheen. Maar als noch het OM, noch het hof inhoudelijk ingaat op dit onderdeel van de klacht, ontbreekt kennelijk de wil.” Drost richt zijn hoop nu volledig op minister Opstelten van Veiligheid en Justitie, die hij vandaag schriftelijk heeft gevraagd om daadwerkelijk gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, daar waar het gaat om de strafrechterlijke vervolging van de verenging. Drost vroeg de minister in juni van dit jaar al om van die bevoegdheid voor wat betreft het civielrechtelijk verbieden van de vereniging Martijn gebruik te maken. Drost heeft echter tot op heden nog niets inhoudelijks van de minister mogen vernemen. “Het aangekondigde kamerdebat over de kwestie zal hopelijk een doorbraak opleveren, om deze vereniging in zijn huidige vorm een halt toe te roepen”, aldus Drost.