Peuters leren van leidsters én elkaar

    0
    632

    In de peuterspeelzaal leren kinderen niet alleen van de leerkracht, maar ook van andere kinderen. De leerkracht helpt de kinderen voornamelijk om goed mee te doen, terwijl kinderen in hun interacties met klasgenoten meer complexe taal gebruiken en initiatief tonen. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Marjolein Deunk onder peuters tussen tweeënhalf en vier jaar. Deunk promoveert 3 december aan de Rijksuniversiteit Groningen.

    Voor het onderzoek kreeg een groep van dertig peuters verspreid over vier peuterspeelzalen een hesje met draadloze opnameapparatuur aan. Zo registreerde de onderzoekster met audio en video hun natuurlijke gedrag, anderhalf jaar lang.

    Het onderzoek draaide om het aanleren van schoolse routines door kleine kinderen. Uitgangspunt daarbij was dat interacties een goede context kunnen bieden voor zowel de taal(gebruiks)ontwikkeling als voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en voor de cognitieve ontwikkeling in het algemeen.

    Taal verschilt per situatie
    Peuters blijken in verschillende activiteiten verschillende manieren van taalgebruik te leren. Deunk ontdekte dat de kinderen in interacties met klasgenoten en tijdens fantasiespel complexere taalhandelingen gebruikten dan in contact met de leidster. In interactie met elkaar leren peuters vooral om zelf taal te gebruiken; in interactie met de leidster leren ze meer mee te doen met schoolse activiteiten.

    Hoe ouder, hoe complexer
    De analyses in het onderzoek richtten zich op de activiteiten ‘fantasiespel’, ‘terloopse geletterdheid’, ‘lenen van een boekje’ en ‘afsluiten van een knutseltaak’. Fantasiespel is een vrije situatie in de peuterspeelzaal. Naarmate kinderen ouder worden, wordt het fantasiespel steeds complexer en daarmee ook de taal die gebruikt wordt tijdens het spel. Het afsluiten van een knutseltaak is juist een gestructureerde, schoolse activiteit. Deze activiteit biedt een belangrijke voorbereiding op deelname aan latere situaties waarin kinderen een schoolse taak uit moeten voeren.

    Ontluikende geletterdheid stimuleren
    De twee andere activiteiten hebben betrekking op ontluikende geletterdheid in een relatief ‘vrije’ en meer gestructureerde situatie. Bij ‘terloopse geletterdheid’ is een kind betrokken bij een activiteit, waarin lezen, schrijven en boeken op een vanzelfsprekende manier ter sprake komen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een kind een tekening heeft gemaakt waar de leidster vervolgens de naam op schrijft. De leidster kan ontluikende geletterdheid stimuleren door de nadruk te leggen op het schrijven van de naam en het nut ervan. Bij de activiteit ‘lenen van een boekje’ wordt geletterdheid niet alleen gestimuleerd doordat kinderen regelmatig boeken lezen, maar ook doordat ze leren hoe ze een boek moeten lenen. Om deze activiteit optimaal te benutten, kunnen peuterspeelzaalleidsters de uitleenactiviteit uitbreiden door meer over de inhoud van het boek te praten of alvast een stukje voor te lezen en door de peuter te betrekken bij de registratie van het uitlenen.

    Professionalisering
    De uitkomsten van het onderzoek van Deunk dragen bij aan het inzicht in hoe kinderen leren in hun sociale omgeving. Ook draagt het bij aan bewustwording van de schoolse routines waaraan kinderen leren deel te nemen en van terloopse momenten van geletterdheid in de peuterspeelzaal. Dit is van belang voor verdere professionalisering van leidsters en de ontwikkeling van programma’s voor Voor- en Vroegschoolse Educatie.

    Curriculum Vitae
    Marjolein Deunk (Haarlem, 1979) promoveert aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift ‘Discourse Practices in Preschool. Young Children’s Participation in Everyday Classroom Activities’. Promotor is prof.dr. C.M. de Glopper. Het onderzoek is gefinancierd door de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek, onderdeel van NWO.