Overlevingskansen lymfeklierkanker aanzienlijk verbeterd

0
1001

De overlevingskansen van mensen met lymfeklierkanker (non-Hodgkin lymfoom) zijn de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. De overlevingskans van oudere patiënten is in Europa echter lager dan die van patiënten in Amerika. Dat blijkt uit onderzoek waarop Saskia van de Schans morgen promoveert aan het Erasmus MC in Rotterdam.

In Nederland krijgen steeds meer mensen de diagnose ‘non-Hodgkin lymfoom’. Dat komt mede doordat het aantal ouderen toeneemt en deze vorm van lymfeklierkanker bij deze groep vaker voorkomt. Jaarlijks komen er ongeveer 3500 nieuwe patiënten bij. Bij non-Hodgkin lymfomen worden de lymfeklieren groter door ongeremde deling de witte bloedcellen, de lymfocyten. Hierdoor verliest het lichaam een deel van zijn afweer tegen virussen en bacteriën.

De overleving van mensen met non-Hodgkin lymfoom is de afgelopen 20 jaar met 9 procent gestegen. Die verbetering komt waarschijnlijk door de introductie van nieuwe en effectieve medicijnen, zoals rituximab. ‘Verder zijn er betere selectiemethoden gekomen, zodat meer patiënten de juiste behandeling krijgen. Daarnaast kunnen meer patiënten de zware chemotherapie tot het einde van de kuur volhouden door toevoeging van ondersteunende behandelingen’, zegt Van de Schans, werkzaam in het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ). Patiënten die de chemotherapie helemaal kunnen afmaken, hebben een grotere kans de ziekte te overleven.

Voor oudere patiënten is het volgen van een volledige chemotherapie vaak lastiger. ‘Slechts 27 procent van de patiënten van 75 jaar en ouder met een agressieve vorm van non-Hodgkin lymfoom in een vergevorderd ziektestadium kreeg de standaardbehandeling van minimaal zes kuren chemotherapie. Een standaardbehandeling is de behandeling die voor een bepaalde soort kanker het meest gebruikelijk is en waarvan de beste resultaten verwacht mogen worden. De reden om geen chemotherapie te geven, was vaak weigering door patiënt of familie (23 procent), te slechte gezondheid (19 procent), of een korte levensverwachting (12 procent). Bijna de helft van de oudere patiënten die begon met de standaardbehandeling, was niet in staat deze af te maken.

Van de Schans heeft in haar proefschrift ook de overlevingskansen van patiënten in West Europa, Centraal Europa en Amerika met elkaar vergeleken. In Amerika hebben oudere patiënten betere vooruitzichten. Van bijvoorbeeld de patiënten tussen de 55 en 64 jaar was na vijf jaar nog 73 procent in leven. In West Europa was dit 65 procent. In Centraal Europa overleefde de helft van de patiënten de ziekte. Tussen de 65 en 74 jaar zijn de verschillen nog groter. Mogelijke verklaringen zijn verschillen in gebruik van nieuwe medicijnen en het beschikbare budget. Daarnaast kunnen verschillen in de manier van registreren tussen deze landen een deel ven het verschil in overleving verklaren. Van de Schans: ‘Om de precieze oorzaak van de verschillen te achterhalen, is echter verder onderzoek nodig.’