Ook kleinschalige particuliere ontwikkelingshulp levert veel op

0
1027

Talloze vrijwilligers zetten zich dagelijks in in de strijd tegen wereldwijde armoede en ongelijkheid.

Afrikaanse kinderen in een klaslokaal

Op korte termijn hebben duizenden mensen baat bij de projecten opgezet door deze particuliere initiatieven.

Maar juist het kleinschalige en vrijwillige karakter van deze ontwikkelingsorganisaties maakt dat ze niet vanzelfsprekend bijdragen aan duurzame veranderingen. Dat blijkt uit onderzoek waarop ontwikkelingsdeskundige Sara Kinsbergen van de Radboud Universiteit Nijmegen op 7 februari 2014 promoveert.

Kinsbergen: “Vrijwilligers hebben het gevoel dat ze onvoldoende tijd, geld of kennis hebben om bijvoorbeeld lobbyactiviteiten op te zetten of om met de lokale overheid rond te tafel te zitten. Daarnaast speelt ook de funfactor een belangrijke rol: ze zijn zeer gemotiveerd, ze doen heel veel werk, maar het moet wel leuk blijven. En de meeste van hen halen meer plezier uit het realiseren van concrete doelen dan tijd en geld te investeren in meer abstracte, onzichtbare projecten.”

Dit onderzoek naar kleinschalige, vrijwillige ontwikkelingsorganisaties leert ons volgens Kinsbergen belangrijke lessen voor de discussie over de participatiesamenleving in Nederland: “Wanneer vrijwilligers maatschappelijke taken uitvoeren, moeten overheid en andere opdrachtgevers zichzelf de vraag stellen wat ze van burgerinitiatieven willen en kunnen verwachten.”

Dit onderzoek laat zien dat de betrokkenheid van vrijwilligers de drijvende kracht is achter particuliere ontwikkelingsorganisaties. Met een gemiddelde tijdsinvestering van 37uur per maand zijn de vrijwilligers in deze organisaties bovengemiddeld actief. Maar het is diezelfde betrokkenheid die de duurzaamheid van de projecten in de weg kan staan.

Geen strijkstok
Sara Kinsbergen verzamelde gegevens van een kleine negenhonderd kleinschalige particuliere ontwikkelingsorganisaties die bijvoorbeeld actief zijn in Ghana, Kenia, India en Indonesië. De doelen zijn vaak gericht op directe armoedebestrijding: scholen bouwen, renoveren van een ziekenhuis of gezondheidzorgposten inrichten.

De organisaties zijn als groep divers: sommige hebben langjarige ervaring, tien leden en een jaarbudget van 25.000 euro; andere bestaan nog maar kort en halen met minder mensen drie keer zoveel op. Wat ze gemeen hebben is hun kleinschaligheid (een klein budget en een kleine harde kern) en vrijwilligheid (weinig of geen betaalde krachten). Particuliere organisaties zijn voor donateurs aantrekkelijk door het vrijwillige karakter en de lage overheadkosten.

Minderheid van de projecten is potentieel duurzaam
Kinsbergen bezocht 49 ontwikkelingsprojecten en bekeek of ze ook een meer duurzame bijdrage leveren aan armoedebestrijding. Een meerderheid van deze organisaties investeert met name in concrete projecten die gericht zijn op het wegnemen van de gevolgen van armoede, bijvoorbeeld met het bouwen van een school. De duurzaamheid van projecten wordt in gevaar gebracht doordat deze organisaties in mindere mate gericht zijn op het verhelpen van de oorzaken van armoede (‘Waarom is er geen school in dit dorp?’). Bovendien zijn de projecten niet altijd voldoende lokaal ingebed, waardoor het de vraag is of de mensen ter plekke in staat zijn, zich geroepen voelen om de projecten zelfstandig voor te zetten.

Kritische reflectie
Kinsbergen doet geen oproep tot professionalisering – dat zou de passie uit de organisaties halen – maar ze roept particuliere initiatieven wel op om kritisch na te denken over wat ze willen bereiken. “Maak een realistische inschatting van je mogelijkheden en beperkingen en wees daar duidelijk over. Als je kiest voor het bouwen van een school en meer ook niet, maak dan bekend aan de lokale overheid dat er werk blijft liggen.”

Gevestigde ontwikkelingsorganisaties en overheden worden uitgedaagd om te overdenken of en hoe ze betrokken willen zijn bij particuliere initiatieven. Kinsbergen: “Mijn onderzoek laat zien hoe belangrijk het is om in het formuleren van verwachtingen over burgerinitiatieven meer rekening te houden met de eigenheid van deze organisaties als kleinschalige, vrijwillige organisaties.”