Onderwijs aan kinderen met hersenletsel faalt

0
764

Scholen hebben nog heel veel te leren op het gebied van onderwijs aan kinderen die hersenletsel hebben opgelopen. Leerkrachten zijn slecht geïnformeerd en niet alert op de gevolgen die hersenletsel kan hebben. Dr. Eric Hermans van Vilans bracht de dagelijkse onderwijspraktijk voor kinderen met hersenletsel in kaart. Hij deed dat in opdracht van ZonMw en de Hersenstichting.

Jaarlijks lopen in Nederland minstens 12.000 kinderen en jongeren van 0 tot 19 jaar hersenletsel op door een val of klap op het hoofd. Dit aantal betreft alleen degenen die in ziekenhuizen worden gezien. Volgens Amerikaans onderzoek staan op elk bekend kind/jongere 3 à 5 onbekende. Omgerekend gaat het in ons land om minimaal 32.000 kinderen en jongeren. Hersenletsel bij kinderen verschilt essentieel van hersenletsel bij volwassenen. De hersenen van volwassenen zijn volgroeid, die van kinderen zijn nog in ontwikkeling en leren dagelijks nieuwe dingen. De lange termijn gevolgen bij kinderen kunnen daardoor vertraagd optreden. Ze kunnen last houden van cognitieve klachten zoals concentratiestoornissen, overgevoeligheid voor prikkels en geen prioriteiten kunnen stellen. Bijvoorbeeld een kind van drie dat een hersentrauma oploopt, kan jarenlang ‘normaal’ lijken en pas op middelbare school problemen gaan ondervinden.

Het kabinet streeft naar het invoeren van een zorgplicht voor schoolbesturen per 1 augustus 2012. De zorgplicht verplicht schoolbesturen om te zorgen voor passend onderwijs voor alle leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Het Vilans-onderzoek wijst uit dat de meeste kinderen die na hersenletsel in het medisch circuit uitbehandeld zijn, terugkeren naar hun oude school zonder dat aanpassingen plaatsvinden. Als er op school al aanpassingen gedaan worden is dit vooral ten behoeve van de lichamelijke beperkingen. Maar de regels schrijven voor dat voor elk kind met hersenletsel een individueel onderwijsplan noodzakelijk is. In zo’n plan moet worden ingegaan op drie centrale aspecten: wat moet het kind leren, hoe kan dit bereikt worden en waar kan dit het beste gebeuren? In de praktijk wordt zo’n plan zelden opgesteld. De docenten hebben onvoldoende kennis over de mogelijke cognitieve gevolgen van hersenletsel. Ook ouders onderschatten vaak de problemen, of verbinden deze niet aan het opgelopen hersenletsel. En nemen mede daarom onvoldoende actie.

Zelfs in het speciaal onderwijs is de aandacht voor deze groep kinderen onvoldoende. De onderzoeker enquêteerde alle 147 scholen voor speciaal onderwijs. Slechts vier scholen voldeden aan de normen die gesteld worden in een door onderwijsexperts opgestelde nota van eisen. Het aantal kinderen met hersenletsel dat op scholen bekend is staat in schril contrast met het totaal aantal betrokken jeugdigen. Onderzoeker Hermans pleit voor betere informatieoverdracht vanuit ziekenhuizen aan leerkrachten, waardoor kinderen met NAH op scholen beter geïdentificeerd worden.

Het rapport van Eric Hermans is getiteld Eindrapportage – Onderwijs aan leerlingen met niet-aangeboren hersenletsel: een inventarisatie van bestaande praktijken is te downloaden op www.hersenstichting.nl.