Nieuw protocol besluitvorming vruchtbaarheids-behandelingen

0
548

De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) heeft een nieuw protocol vastgesteld rondom de besluitvorming bij vruchtbaarheidsbehandelingen. Het protocol noemt mogelijke situaties die een behandeling in de weg kunnen staan en beschrijft wat hulpverleners moeten doen als zij twijfels hebben over wel of niet behandelen. De arts kan afzien van een behandeling als er sprake kan zijn van een risico op ernstige schade bij een toekomstig kind. Een dergelijke weigering kan alleen worden genomen na multidisciplinair overleg met andere deskundigen.

Arts medeverantwoordelijk voor toekomst kind
Per jaar ondergaan tienduizenden vrouwen in Nederland een vruchtbaarheidsbehandeling. Naar schatting is 1 op de 20 kinderen het resultaat van een dergelijke behandeling. Gynaecologen hanteren bij hulp rondom voortplanting een ‘ja-tenzij’ beleid. In principe zet de arts zich in om elke vrouw te behandelen die niet in staat is om op natuurlijke wijze zwanger te worden. Er is geen algemene toets om te beoordelen of iemand in staat is om een kind op te voeden. Net als bij natuurlijke zwanger¬schappen wordt gesteld dat elk wilsbekwaam mens het belang van het kind goed kan afwegen. Dit in tegenstelling tot adoptie, waarbij wel wettelijk is vastgelegd dat toekomstige ouders worden getoetst.

Toch stelt de beroepsgroep dat bij vruchtbaarheidsbehandelingen niet alleen de patiënt een verantwoordelijkheid heeft, maar ook de behandelend arts. Een arts is niet alleen verantwoordelijk voor een behandeling, maar ook voor de gevolgen ervan en is dus ook medeverantwoordelijk voor het welzijn van het toekomstige kind. Daarom kan een arts, bij het vermoeden van een groot risico op schade bij het kind, besluiten om meer informatie te verkrijgen en advies te vragen. Op basis hiervan kan een arts overwegen een behandeling te weigeren. Tot voor kort waren er geen algemene richtlijnen voor hulpverleners hoe om te gaan met dergelijke twijfels, terwijl er wel grote behoefte bestond binnen de beroepsgroep. Hierin komt verandering dankzij het nieuwe NVOG-protocol.

Weigeren bij dreiging van ernstige schade
Prof. dr. Jan Kremer, voorzitter van de NVOG commissie die het protocol heeft geschreven en hoogleraar Voortplantingsgeneeskunde bij het UMC St Radboud licht toe: ‘We bieden met het protocol praktische, concrete richtlijnen voor hulpverleners. De basis voor elke besluitvorming is het welzijn van het kind.

Het protocol stelt onder meer dat een arts een hulpvraag kan weigeren als er groot risico is op ernstige schade voor het kind. Hiervan kan sprake zijn als eerdere kinderen vanwege mishandeling of verwaarlozing uit huis zijn geplaatst. Of als er twijfel bestaat over goed ouderschap door bijvoorbeeld ernstige psychische problemen, verslaving of een zeer instabiele relatie. Maar ook mogelijke medische schade, bijvoorbeeld door ernstige erfelijke aandoeningen van ouders, kan leiden tot morele twijfel.

We zijn van mening dat een besluit om een behandeling te weigeren altijd genomen moet worden na een zorgvuldige multidisciplinaire bespreking. Een behandelend arts mag nooit weigeren zonder dit te hebben besproken met andere deskundigen, zoals huisarts of psycholoog. Ook dient hij de patiënt altijd te informeren over zijn twijfel en het vervolgtraject. Het protocol biedt algemene richtlijnen, maar stelt niet dat patiënten in een bepaalde categorie per definitie geen behandeling mogen ontvangen. Elk besluit moet individueel onderzocht worden.’

Het protocol is opgesteld met financiële ondersteuning van het Ministerie van VWS en is het eerste in Europa dat hulpverleners concrete praktische richtlijnen biedt. Een commissie bestaande uit onder meer gynaecologen, fertiliteitartsen, psychologen, medisch ethici, huisartsen, juristen en patiënten-vertegenwoordigers heeft het protocol vormgegeven.