Meer soa-consulten in Nederland

0
629

Het aantal mensen dat vanwege een seksueel overdraagbare aandoening (soa) de huisarts en soa-poli’s bezoekt, is de laatste jaren sterk toegenomen. Jongere en mannelijke soa-patiënten gaan met hun probleem vaker naar een soa-poli, mensen boven de dertig en vrouwen gaan daarvoor eerder naar de huisarts, zo blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL, het RIVM en SANL in BMC Family Practice.

Vergeleken met andere landen heeft de huisarts in Nederland een relatief grote rol in de zorg voor soa’s. Huisartsen nemen 70% van de soa-gerelateerde consulten voor hun rekening en stellen 80 tot 85% van de soa-diagnoses. Soa-poli’s trekken vooral jongere en vaker mannelijke soa-patiënten, waaronder veel homo- en biseksuele mannen. Mensen van boven de dertig en vrouwen gaan eerder naar de huisarts. De huisarts ziet veel chlamydia en vaak symptomatische soa’s zoals genitale herpes en wratten, terwijl soa-poli’s ook veel (asymptomatische) chlamydia, en relatief vaker gonorroe en syfilis diagnosticeren. Voor een preventieve check up gaan cliënten – jongeren, mensen met een nieuwe partner maar ook bijvoorbeeld prostituees – eerder naar een soa-poli.

Meer getest op soa’s en beter geregistreerd
Soa’s lijken in Nederland steeds vaker voor te komen en ook vaker dan in sommige andere landen. “Hiervoor zijn verschillende verklaringen denkbaar”, zegt NIVEL-onderzoeker Robert Verheij. “Het kan zijn dat soa’s tegenwoordig werkelijk meer voorkomen, maar het is ook mogelijk dat mensen eerder naar de huisarts of de soa-poli gaan voor een soa-test. Bijvoorbeeld doordat ze alerter worden op soa’s door een voorlichtingscampagne.” Verklaart dat ook onze ‘voorsprong’ op andere landen? “Een mogelijke verklaring daarvoor is dat er in Nederland minder een taboe op rust en dat er makkelijk toegankelijke soa-zorg is georganiseerd, waardoor meer soa’s worden opgespoord. Daarnaast is het ook zo dat in andere landen een deel van de soa’s onder de bevolking ‘onzichtbaar’ blijft doordat bijvoorbeeld gegevens uit huisartspraktijken niet worden meegenomen in de cijfers. Dat was in Nederland tot voor kort ook het geval, terwijl wij nu door de gegevens uit de huisartspraktijken een completer beeld krijgen.”

LINH en RIVM-database
Het onderzoek is uitgevoerd met gegevens uit het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH). Dit telt 92 geautomatiseerde huisartspraktijken met meer dan 350.000 ingeschreven patiënten. LINH gebruikt anonieme gegevens uit de elektronische patiëntendossiers van deze praktijken over aandoeningen, verrichtingen, geneesmiddel-voorschriften en verwijzingen. Daarnaast werden gegevens gebruikt van het netwerk van de 32 nederlandse soa-poli’s (bij GGD-en), uit de landelijke database beheerd door het RIVM.