Maastrichtse onderzoekers halen röntgenapparaat uit 1896 uit de motteballen

0
661

Onderzoekers van het Maastricht UMC+ hebben onlangs metingen gedaan aan een van de eerste röntgenapparaten (uit 1896) en daarbij vastgesteld dat de stralingsdosis die het nodig heeft voor het maken van een foto vele malen hoger ligt dan bij hedendaagse apparaten. De wetenschappelijke publicatie van het onderzoek verschijnt binnenkort in het gerenommeerde Amerikaanse tijdschrift Radiology.

Volgens de hoofdauteur van het artikel, klinisch fysicus dr. Gerrit J. Kemerink, zijn er nooit eerder systematisch metingen verricht aan eerste generatie röntgenapparaten. De meetapparatuur die daarvoor nodig is, kwam namelijk pas beschikbaar toen die eerste apparaten al lang waren vervangen door modernere versies.

Wilhelm Röntgen publiceerde over zijn revolutionaire vinding in december 1895. Al enkele weken later gingen twee Maastrichtenaren aan de slag om de techniek in de praktijk te brengen en een ‘röntgenapparaat’ te bouwen. Het waren de directeur van de plaatselijke HBS, de natuurkundige dr. H.J. Hoffmans, en ziekenhuisdirecteur dr. L. Th. van Kleef. Met materialen van de school van Hoffmans werd een primitief röntgenapparaat gebouwd, waarmee ook daadwerkelijk röntgenfoto’s zijn gemaakt. Al die foto’s zijn bewaard gebleven. Maar het primitieve apparaat van Hoffmans en Van Kleef bleek al snel achterhaald door de zich snel ontwikkelende techniek en raakte in de vergetelheid. Het apparaat belandde uiteindelijk in een opslagloods. Ongeveer een jaar geleden werd het door prof. dr. Jos van Engelhoven, voormalig hoofd van de afdeling Beeldvorming van het Maastricht UMC+, gebruikt voor een TV-programma over de geschiedenis van de gezondheidszorg in Zuid-Limburg. Het apparaat bleek nog te werken, en Kemerink besloot vervolgens om metingen aan het apparaat te gaan verrichten. “We werkten in een volledig afgeschermde en verduisterde ruimte. Het enige lichtschijnsel kwam van de gasontlading in de buis en van de vonken van de hoogspanningsgenerator. Samen met het knetterende geluid dat daarbij ontstaat, leverde dat een nogal spookachtige sfeer op.”

De onderzoekers vergeleken de stralingsdosis en de elektrische eigenschappen van het apparaat uit 1896 met die van hedendaagse apparatuur. Om een opname van een hand te maken bleek een 1500 keer hogere stralingsdosis nodig te zijn (74 mGy (milligray) tegen 0,05 mGy bij moderne apparatuur). Ook in de belichtingstijd bleken grote verschillen te bestaan. Waar tegenwoordig een belichting gedurende 21 milliseconden volstaat, moest de patiënt destijds anderhalf uur onder het röntgenapparaat. Maar de kwaliteit van de met de oude apparatuur gemaakte opnames bleek verrassend goed. Anatomische details bleken met het primitieve apparaat nog steeds wonderbaarlijk scherp in beeld te brengen.

Waar de onderzoekers destijds overigens geen rekening mee hielden, waren de gevolgen van langdurige blootstelling aan hoge stralingsdoses. De pioniers van het eerste uur werden dan ook nogal eens getroffen door brandwonden, haaruitval en oogklachten. “Veel van de mensen die de apparatuur bedienden, liepen ook ernstige schade op aan hun handen, waardoor soms zelfs amputatie nodig was, en velen overleden later aan kanker”, aldus dr. Kemerink.

In de loop van de twintigste eeuw werd de techniek dermate verfijnd dat stralingsdosis en duur van blootstelling sterk verlaagd konden worden, waarmee röntgenopnames een veilige en betrouwbare beeldvormende techniek werden, en daarmee een onmisbaar diagnostisch instrument.