Friedrich Wegener Stichting vraagt minister in te grijpen

0
677

De Friedrich Wegener Stichting (FWS) heeft minister Schippers van VWS gevraagd om in te grijpen in de situatie rond de sluiting van de afdeling Klinische Immunologie van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (azM).

Al zestien maanden lang krijgen patiënten namelijk geen antwoord op de vraag waar en door wie zij in de toekomst met de juiste expertise behandeld kunnen worden.

Op 8 december 2010 werden vasculitispatiënten geconfronteerd met het voorgenomen besluit van het azM om de onderafdeling Klinische Immunologie op te heffen. Begin 2011 verleende de minister van VWS goedkeuring aan dat besluit onder de voorwaarde dat continuïteit en kwaliteit van de zorg voor patiënten gewaarborgd blijft. Ze deed die toezegging mede op basis van de verzekering van het azM dat deze haar verantwoordelijkheid zou nemen in het goed doorgeleiden van deze patiënten. Begin april 2012 is die doorgeleiding van patiënten nog steeds niet geregeld en is er zelfs niet met deze patiënten over gecommuniceerd.

Bij de afbouw van de afdeling zijn drie soorten patiënten te onderkennen. De minst ernstige gevallen kunnen onder behandeling blijven van een ‘gewone’, dat wil zeggen niet in deze ziekte gespecialiseerde internist in het azM. Een tweede deel van de patiënten heeft meer expertise nodig dan deze internisten kunnen bieden maar hun behandeling zou voortgezet kunnen worden in bijvoorbeeld Nijmegen of Utrecht. De meest ernstige gevallen tenslotte zijn na de afbouw aangewezen op Groningen (ook als ze 80 jaar zijn en in Heerlen wonen).

De centrale vraag is natuurlijk tot welke van deze drie categorieën een patiënt behoort. De enige die daar iets verstandigs over kan zeggen is de behandelende specialist of desnoods een externe deskundige. Maar een van de twee betrokken specialisten ziet al sinds 1 januari geen patiënten meer en zijn dienstverband wordt per 1 juni 2012 ‘op eigen verzoek’ beëindigd. Een andere baan heeft deze professor nog niet en hij weet ook nog niet of hij patiënten wellicht elders in de regio kan zien. De andere boventallig verklaarde arts heeft nog steeds geen overeenstemming met het ziekenhuis over hoe de toekomst er voor hem en de afdeling uit zal zien. Het gevolg van dit alles is dat er nog steeds geen formele overdrachtsgesprekken met patiënten hebben plaats gevonden en dat die dus nog steeds niet weten waar ze aan toe zijn.

Op 20 januari 2012 heeft de FWS het azM en de Inspectie voor de Volksgezondheid (IGZ) kenbaar gemaakt dat deze situatie onacceptabel is. Het azM sprak toen de verwachting uit binnen twee weken met een oplossing te komen. Op 22 maart, twee maanden later dus, antwoordde het azM op telefonische vragen van de FWS dat er niets anders te melden viel dan dat ‘er constructief wordt gewerkt aan een oplossing’. Op 29 maart reageerde het azM op vragen van de IGZ met de opmerking dat ze verwachtte ‘binnen twee weken met een oplossing te komen’. De IGZ ziet in deze ontwikkeling tot nu toe geen reden tot ingrijpen.

De FWS heeft veel geduld opgebracht om alle partijen de kans te geven tot een voor hen aanvaardbare oplossing te komen. Na zestien maanden is dat geduld echter op. Vandaar haar brief aan de minister met het formele verzoek om interventie.