Financiële compensatieregeling voor slachtoffers seksueel misbruik RK kerk

0
683

De Rooms-katholieke kerk moet een redelijke en rechtvaardige financiële compensatieregeling in het leven roepen voor slachtoffers van seksueel misbruik. Een onafhankelijke commissie dient in individuele gevallen een compensatiebedrag vast te stellen. Dit advies brengt de Commissie Lindenbergh maandag 20 juni 2011 uit aan de Nederlandse Bisschoppenconferentie en de Konferentie van Nederlandse Religieuzen (KNR).

Advies: onafhankelijke commissie stelt bedrag vast

Een commissie onder leiding van prof.mr. S.D. Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, kreeg vorig najaar het verzoek van de Nederlandse Bisschoppenconferentie en de Konferentie van Nederlandse Religieuzen (KNR) om te adviseren over genoegdoening na seksueel misbruik van minderjarigen.

De commissie adviseert een concrete regeling in te voeren. Dit behelst een collectieve financiële verantwoordelijkheid van alle Rooms-katholieke instellingen in Nederland. Om de slachtoffers zo min mogelijk te belasten adviseert de Commissie Lindenbergh een zo kort en eenvoudig mogelijke procedure, buiten de Rooms-katholieke kerk om.

De financiële compensatie moet gerelateerd worden aan de ernst van het misbruik. De regeling omvat een indeling in vijf categorieën met vaste of begrensde compensatiebedragen. Een onafhankelijke commissie van deskundigen die geen binding hebben met Rooms-katholieke instellingen doet uitspraak over de categorisering van individuele gevallen.

Bewijs geleden schade
Om juridische complicaties en juridisering te vermijden hoeft de omvang van de geleden schade in de eerste vier categorieën niet bewezen te worden. In de vijfde categorie, die onder meer plaats biedt voor gevallen met aanzienlijke vermogensschade, kan onderzoek naar de geleden schade wel noodzakelijk zijn. De maximale compensatie in de categorieën 1 tot en met 4 bedraagt 5.000 tot 25.000 euro, categorie 5 heeft een bovengrens van 100.000 euro.

De regeling is georiënteerd op het Nederlandse recht. Zo heeft de Commissie bij de keuze voor de bedragen in de categorieën 1 tot en met 4 zich mede laten inspireren door smartengeldbedragen die door de rechter zijn toegewezen in gevallen van seksueel misbruik. Daarnaast is er in elke categorie rekening gehouden met vermogensschade.

Een betrokken Rooms-katholieke instelling kan bij de compensatiecommissie geen beroep doen op verjaring of het ontbreken van aansprakelijkheid. Ook is hoger beroep niet mogelijk. Verder zijn er alleen verweermogelijkheden bij een categorie 5-procedure. Betaling vindt plaats zonder voorwaarde van finale kwijting door slachtoffers. Dat betekent dat zij ook via andere wegen nog genoegdoening kunnen proberen te krijgen.

Voordat een zaak bij de compensatiecommissie kan worden behandeld, moeten het misbruik en de aard daarvan zijn vastgesteld. In het belang van een vlotte afwikkeling bouwt de regeling hierbij voort op vaststelling door een andere instantie, zoals de klachtencommissie van Hulp en Recht (de kerkelijke instelling die ondersteuning biedt aan slachtoffers van seksueel misbruik) of de rechter. Ook erkenning van het misbruik, al dan niet na een bemiddelingstraject, geldt als bewijs.

Inzichtelijk en werkbaar
Prof.mr. Siewert Lindenbergh, voorzitter van de Commissie: “Met dit advies hopen we een bijdrage te kunnen leveren aan een hele moeilijke kwestie. Door deze regeling krijgen slachtoffers via een korte procedure financiële compensatie, waarbij juridische complicaties zoveel mogelijk worden omzeild. Het leed is natuurlijk niet in geld uit te drukken, maar als het op compensatie aankomt is er geen alternatief. Een model met categorieën maakt de regeling inzichtelijk en werkbaar. Door de eenvoud duurt de procedure kort en hoeft het leed van de slachtoffers niet telkens te worden uitgemeten. Het bewijzen van de omvang van de geleden schade is in deze gevallen heel erg moeilijk, kost in juridische procedures vaak vele jaren en werkt eerder belemmerend dan herstellend.”

De Commissie Lindenbergh bestaat uit prof.mr. S.D. Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, mw. mr. J. Meyst-Michels, advocaat te Utrecht en mr. J. Wildeboer, advocaat te Rotterdam.