Deel patiënten met getransplanteerde lever kan zonder afweeronderdrukkers

0
632

Sommige patiënten met een donorlever tolereren na enkele jaren hun nieuwe lever zónder gebruik van afweeronderdrukkende medicijnen. Samen met Europese collega’s hebben onderzoekers van het UMC St Radboud gevonden dat de ijzerstatus van de donorlever vrij accuraat voorspelt welke patiënt kan stoppen met medicatie en welke niet. Het onderzoek, online gepubliceerd in het Journal of Clinical Investigation, kan belangrijke gevolgen hebben voor de behandeling van getransplanteerde leverpatiënten.

Na transplantatie van een donorlever komt het afweersysteem in actie. De ontvangen lever is immers lichaamsvreemd materiaal, zodat het lichaam de lever probeert af te stoten. Om dat te voorkomen, gebruiken ontvangers levenslang afweeronderdrukkende medicijnen. Chronisch gebruik van die medicijnen veroorzaakt echter behoorlijke bijwerkingen en complicaties.

Spontane tolerantie
Onderzoek bij knaagdieren wijst uit dat ontvangers door een gerichte beïnvloeding van het afweersysteem tolerant kunnen worden gemaakt voor het donororgaan. Die aanpak is bij de mens tot dusver weinig succes geweest. Toch treedt bij sommige getransplanteerden soms spontane tolerantie op voor het ontvangen donororgaan. Ze stoten hun donororgaan níet af, ook niet als ze stoppen met het gebruik van de afweeronderdrukkende medicijnen.

In het Journal of Clinical Investigation beschrijven Dorine Swinkels en Harold Tjalsma van het UMC St Radboud hun onderzoek naar dergelijke spontane tolerantie en factoren die deze tolerantie kunnen voorspellen. Het onderzoek, dat ze hebben uitgevoerd met Spaanse, Italiaanse, Duitse en Belgische collega’s, laat zien dat spontane tolerantie bij getransplanteerde leverpatiënten niet uitzonderlijk is. Bij 75 patiënten die al drie jaar zonder problemen een gedoneerde lever hadden, werd het gebruik van afweeronderdrukkende medicijnen langzaam afgebouwd. Bij 42 patiënten lukte dat niet. Bij 33 patiënten wel; ook na een jaar zonder medicijnen vertoonden ze geen afstotingsverschijnselen.

Beschermend ijzer
Swinkels en Tjalsma, verbonden aan de afdeling Laboratoriumgeneeskunde, onderzochten of er factoren zijn die voorspellen welke patiënten het beste met afweeronderdrukkende medicijnen kunnen stoppen. Moleculair bioloog Harold Tjalsma: “We hebben op basis van biopten naar kenmerkende functies in de donorlever gekeken om te zien of er duidelijke verschillen bestaan tussen de ene en andere groep. Dat was inderdaad het geval. Tot onze verrassing ging het vooral om functies die te maken hadden met de ijzerhuishouding. We zagen dat patiënten met afstotingsverschijnselen vaker een tekort hebben aan ijzer in hun lever. Deze leverfuncties voorspellen óók of een patiënt goed reageert op het afbouwen van de medicatie, of juist niet. We weten dat ijzer een belangrijk bestanddeel is van hemoglobine in de rode bloedcellen, die zuurstof van de longen door het lichaam transporteren. Een deel van het ijzer in ons bloed wordt als voorraad opgeslagen in de lever en verder is ijzer ook belangrijk voor de lichamelijke weerstand. Maar waarom ijzer in de donorlever tegen afstoting beschermt…., dat weten we niet, dat moet nog verder worden onderzocht.”

Biomarker hepcidine
Voor het selecteren van patiënten die zonder medicijnen zeer waarschijnlijk een tolerantie voor hun donorlever (kunnen) ontwikkelen, is een voorspellende test van groot belang. Voor de ijzerstatus van de lever hoeft geen biopt te worden gemaakt, want die kan ook direct in het bloed worden afgelezen aan het ijzeropslagmolecuul ferritine en het ijzerregulerende hormoon hepcidine. Dit biedt dus aanknopingspunten voor de ontwikkeling van een eenvoudige bloedtest om patiënten te selecteren voor afbouw van de afweeronderdrukkende medicijnen.

Dorine Swinkels, hoogleraar experimentele klinische chemie: “In patiënten zonder afstotingsverschijnselen komt de concentratie hepcidine in het bloed overeen met die van gezonde mensen. In patiënten met afstotingsverschijnselen is de concentratie laag en dit past bij een lage hoeveelheid ijzer in de donorlever. IJzeropname uit de voeding wordt gereguleerd door hepcidine. Heeft de lever voldoende ijzer, dan wordt de productie van hepcidine verhoogd om de ijzeropname af te remmen. Donorlevers met weinig ijzer maken juist weinig hepcidine, zodat het lichaam veel ijzer kan opnemen. Waarom de donorlevers ondanks het lage hepcidine tóch te weinig ijzer hebben, moeten we nog verder onderzoeken. Mogelijk spelen ook bepaalde ontstekingsremmende eigenschappen van hepcidine nog een beschermende rol in de lever.”