De keerzijde van rokers-tolerantie

0
702

“De Nederlandse politiek lijkt door de tabaksindustrie in slaap gesust en kijkt te weinig naar de keerzijde van de tolerantie van het roken, namelijk de enorme maatschappelijke schade die er het gevolg van is.” Prof. dr. Marc Willemsen maakt in zijn oratie ‘Roken in Nederland. De keerzijde van tolerantie’, duidelijk hoe tabaksontmoediging aangepakt zou moeten worden en waarom dat zo belangrijk is. Met de oratie aanvaardt hij op vrijdag 14 januari de leerstoel ‘Tabaksontmoediging’ bij de onderzoeksschool CAPHRI van de Universiteit Maastricht.

Op dit moment rookt nog 28% van de Nederlandse bevolking. Jaarlijks overlijden meer dan 19.000 mensen eraan; 13% van onze totale ziektelast wordt erdoor veroorzaakt. Het roken kost de staat jaarlijks 2,4 miljard euro, door ziektekosten, verminderde productiviteit en arbeidsongeschiktheid. “Een schadepost van deze omvang kan geen enkele samenleving zich permitteren”, stelt Willemsen. Om dit te veranderen is een aantal maatregelen nodig.

Politiek probleem
Vergeleken met andere Europese landen heeft Nederland absoluut geen streng tabaksontmoedigingsbeleid. Het huidige kabinet lijkt weinig onder de indruk van de enorme maatschappelijke schade door tabak en neemt vooralsnog besluiten die de maatschappelijke schade eerder zullen doen toenemen dan afnemen. “Het lijkt wel of er in Nederland als het om tabaksontmoediging gaat altijd een tegenwind waait. Terwijl het probleem van het bestrijden van roken in de kern een politiek probleem is”, aldus Willemsen.
Roken kan volgens internationaal onderzoek het beste bestreden worden via populatiegerichte interventies, gecombineerd met individugerichte interventies. Denk aan hoge accijns op tabak, rookverboden in openbare gebouwen, gezondheidswaarschuwingen op sigarettenpakjes en massamediale campagnes. Geen van deze en andere maatregelen is in optimale vorm in Nederland ingevoerd. Zo staan er nog geen foto’s op de pakjes naast de teksten en mogen sigaretten nog steeds prominent in het zicht in winkels worden verkocht. Willemsen verwacht dat Europese regelgeving onder meer deze maatregel over enkele jaren oplegt. “Ik hoop dat de Nederlandse overheid weerstand durft te bieden aan de lobby van de tabaksindustrie die de totstandkoming van deze Europese regelgeving ongetwijfeld zal saboteren en vertragen.”

Overige maatregelen
Daarnaast pleit hij voor het volgen van andere Europese landen, waar het gaat om het oormerken van een deel van de tabaksinkomsten voor de voorlichting over roken. “De overheid verdient jaarlijks 1,8 miljard euro door accijnsinkomsten, zonder ook maar iets van dat geld rechtstreeks te benutten om het leed dat door tabaksverslaving wordt veroorzaakt, te verminderen of verzachten. Dit is een perverse situatie die op den duur onhoudbaar is.” Ook moet er meer ingezet worden op publieksvoorlichting.
Het is volgens de hoogleraar een mythe dat de Nederlandse rokers over voldoende kennis beschikken over de schade die tabak kan aanrichten. Zo bleek uit eigen internationaal vergelijkend onderzoek hoe beperkt de kennis van de gemiddelde Nederlandse roker is. “Dit zijn ronduit schokkende cijfers. Van de 19 landen waar wij gegevens van hadden, waren de Nederlandse rokers het minst op de hoogte van het feit dat meeroken schadelijk is. Deze kennisachterstand is niet geheel onbegrijpelijk als je kijkt naar het aantal campagnes in Nederland dat ging over roken en gezondheid. Die moet je met een vergrootglas zoeken.” Volgens hem ligt er in Nederland een taboe op campagnes die tonen wat roken met het lichaam doet. Verder zou er rond de totstandkoming van tabaksbeleid niet meer gecommuniceerd moeten worden door de overheid met de tabaksindustrie, een ander taboe dat doorbroken moet worden.

Onderzoek
Op onderzoeksgebied gaat Willemsen zich toeleggen op drie lijnen: psychologisch onderzoek naar de effectiviteit van populatiemaatregelen op rokers, meer sociologisch getint onderzoek naar die effectiviteit (waaronder het monitoren van trends in het roken in Nederland) en tenslotte de vraag ‘hoe kan het gebruik van individugerichte interventies worden vergroot, zodat deze interventies binnen een geïntegreerde aanpak van tabaksontmoediging bijdragen aan populatie-impact?’