Cidi herhaalt oproep voor landelijke richtlijnen herdenken

De uitspraak van het Hof over de herdenking in Vorden op 4 mei is een ondersteuning van het standpunt van CIDI dat de kwestie van het herdenken van Duitsers op 4 mei in Vorden, geen zaak was voor de rechter, maar voor het publieke debat.

De uitspraak vernietigde een eerder vonnis in een kort geding, aangespannen door Federatief Joods Nederland, dat de burgemeester van Bronkhorst, waartoe Vorden behoort, verbood langs graven van Duitse soldaten te lopen.

Uit het arrest van het hof van dinsdag 19 februari 2013 blijkt dat de manier waarop in Nederland de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust wordt herdacht, geen kwestie is van de rechter, maar van het maatschappelijke debat en de politiek.

Eerder al riep CIDI de politiek op om landelijke richtlijnen op te stellen, zodat regionale comités weten binnen welk kader het wenselijk is om te opereren. Die richtlijnen blijken nu volgens de rechter niet de bestaan.

De rechter stelde in het vonnis onder meer dat er een groot verschil is tussen gekwetst voelen en bewust gekwetst worden. Van de intentie van kwetsen was volgens de rechter in dit geval geen sprake.

CIDI vindt het essentieel dat er tussen partijen die betrokken zijn bij dit maatschappelijke debat consensus ontstaat door middel van dialoog over het principe dat op 4 mei slachtoffers horen te worden herdacht, en geen daders. Deze dialoog is CIDI inmiddels, in samenwerking met andere Joodse organisaties, met het Nationaal Comite 4 en 5 mei, aangegaan.

Meer informatie
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN (19 februari 2013)