Brein kinderen met dwangstoornissen verandert door therapie

0
845

Psychotherapie bij kinderen met dwangstoornissen leidt tot aanpassingen in de hersenen en vermindering van dwangsymptomen. Dat blijkt uit onderzoek van Chaim Huyser, kinder- en jeugdpsychiater van de Bascule, een academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie dat nauw samenwerkt met het AMC en VUmc.

Zo’n 1 tot 2 procent van alle kinderen en jongeren lijdt aan dwangstoornissen, een zogenaamde obsessieve compulsieve stoornis (OCS). Zij kunnen verschillende obsessies hebben, zoals smetvrees, angst voor chaos of angst voor heftige gebeurtenissen (brand, inbraak, ongelukken). Om die te bedwingen gebruiken ze bepaalde herhalings- en controlerituelen: heel vaak handen wassen, voorwerpen precies symmetrisch neerleggen of bepaalde handelingen in een strikte volgorde uitvoeren. Kinderen betrekken door dwangvragen veelvuldig hun ouders bij dit soort dwangrituelen. Een kind met een dwangstoornis kan het hele gezin ontregelen. Het kind zelf kan volledig stagneren in zijn sociale, cognitieve en emotionele ontwikkeling.

Dwangstoornissen worden behandeld met cognitieve gedragstherapie (CGT), een vorm van psychotherapie. In een geleidelijke en gestructureerde behandeling leren ze hun angst te bedwingen zonder dat het dwangritueel erop volgt.

Chaim Huyser onderzocht wat het effect van CGT is op het brein. Hij promoveert vrijdag 11 november op zijn onderzoek, dat hij verrichte in de Bascule en de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het AMC. Bij 29 kinderen en jongeren in de leeftijd tussen 8 en 18 jaar met een dwangstoornis toonde Huyser aan dat er door psychotherapie een aanpassing in het brein plaatsvindt, wat gepaard gaat met vermindering van de dwangsymptomen. Eerdere studies naar effecten van CGT op het brein hadden dat nog niet aangetoond.

Uit MRI’s bleek dat de gevonden afwijkingen in de hersenen, die kenmerkend zijn voor patiënten met OCS, door cognitieve gedragstherapie niet verdwijnen. In een ander hersengebied werden na cognitieve gedragstherapie echter wel veranderingen waargenomen. Deze veranderingen – een toename van het volume aan grijze stof – hangen samen met het afnemen van dwangsymptomen.

Vervolgonderzoek moet nu aantonen op welke wijze cognitieve gedragstherapie aangepast kan worden om dit positieve effect te versterken.