Beter inzicht in wat baby’s al begrijpen

0
959

Het blijft een uitdaging om erachter te komen wat zich in de hoofdjes van baby’s afspeelt en vanaf welke leeftijd ze werkelijk begrijpen wat er om hen heen gebeurt. Birgit Knudsen bestudeerde nu eens niet de oogbewegingen van jonge kinderen, maar richtte zich op wat ze doén met informatie. Dat levert veel overtuigender resultaten op en is daarom een belangrijke stap in het onderzoek naar begrip bij de allerjongste kinderen. Knudsen promoveert op 20 maart 2012 aan de Radboud Universiteit.

Gedachten lezen – we doen het allemaal, als we het gedrag van een ander interpreteren (‘ze zal wel dit of dat bedoelen’). De vraag die onderzoekers al jaren bezighoudt, is: vanaf welke leeftijd kunnen kinderen dit? En de vervolgvraag is dan: hoe onderzoek je dat?

Knudsen, die zelf psychologie, filosofie en cognitieve neurowetenschap studeerde, vertelt dat bijvoorbeeld filosofen (vanuit de theory of mind) en psychologen discussiëren over de vraag wat ‘begrijpen’ eigenlijk is en hoe vast te stellen is of iemand, zeker een klein kind, een ander werkelijk begrijpt.

Oogbewegingen
Psychologen onderzoeken dit met experimenten waarbij kinderen kijken naar een volwassene die iets doet (bijvoorbeeld: ergens mee spelen), even weggaat en bij terugkomst een veranderde situatie aantreft (bijvoorbeeld: speeltje is zoek). Hun vraag is dan vanaf welke leeftijd kinderen reageren op verschillende aspecten van het gedrag van de volwassene.

Bij kinderen tussen de 12 en 24 maanden wordt die reactie doorgaans gemeten aan de oogbewegingen: die geven zicht op de informatieverwerking en de cognitieve processen daarachter. Knudsen koos samen met haar copromotor Ulf Liszkowksi van het Nijmeegse Max Planck Institute for Psycholinguistics voor een andere benadering: hen ging het niet om de reactie, maar om de interactie. ‘Ik wilde weten wanneer kinderen wat gaan doén met wat ze zien. En of dat in verschillende situaties ook anders is.’

Kennis, intenties, emoties
Knudsen liet kinderen tussen de één en twee jaar deelnemen aan een aantal situaties waarin zij soms iets niet wist (waar is het speeltje gebleven), dan weer wel wist, of iets verkeerd veronderstelde (het speeltje zat toch in deze doos?). Ook varieerde ze met intenties (de ene keer maakte ze duidelijk te willen spelen, de andere keer dat ze de doos waarin het speeltje zat wilde schoonmaken) en met emoties (soms vond ze het speeltje mooi, soms was het vies gemaakt).

Haar resultaten laten zien dat kinderen rond de 18 maanden begonnen te helpen als ze iets verkeerd deed. Eerder al, rond de 12 maanden, gingen ze helpen als ze iets niet wist. Rond die tijd maakten ze ook verschil in intentie: ze reageerden anders op spelen dan op schoonmaken. Ook reageerden ze met 12 maanden verschillend wanneer Knudsen een speeltje vies of mooi vond. En met ‘reageren’ bedoelt Knudsen dus niet: hoe keken ze ernaar, maar: hoe handelden de kinderen?

Begrip of associatie?
Omdat de kinderen steeds anders, maar adequaat handelden in verschillende situaties, zou je kunnen zeggen: ze begrijpen dus wat er bedoeld wordt, ze kunnen gedachten lezen. Maar, weet Knudsen, zo gemakkelijk is niet iedereen overtuigd. ‘Er zullen wetenschappers zijn die zeggen: de reacties van die kinderen hoeven geen begrip te zijn, ze kunnen ook gebaseerd zijn op lagere cognitieve processen zoals associatie. En weer anderen die zeggen dat kinderen leren via regels: als X gebeurt, dan wordt van mij Y verwacht.’

Toch meent Knudsen dat haar resultaten die stellingen doen wankelen: ‘Voor elk experiment geldt dat door de hele proef heen, in alle interactie, allerlei associaties gelegd kunnen worden. Maar de kinderen reageren alleen op bepaalde, functionele aspecten, niet op alles. Dat hun gedrag alleen maar een kwestie is van stimulus-respons, is daardoor minder aannemelijk.’

Overtuigend resultaat
Haar promotor Harold Bekkering, hoogleraar Cognitieve psychologie aan de Radboud Universiteit, beaamt dat: ‘Oogbewegingsonderzoek levert mooie resultaten op, maar heeft ook z’n beperkingen. Als een baby lang naar iets kijkt, wil dat dan zeggen dat hij het aantrekkelijk vindt of dat hij het niet snapt? De resultaten van Birgits onderzoek zijn overtuigender. Ze heeft laten zien dat baby’s zich al op jonge leeftijd aanpassen aan de vraag van de omgeving. Dat het haar gelukt is om in experimenten zulk gedrag te laten ontstaan, is een belangrijke stap voor het onderzoek naar begrip bij de allerjongste kinderen.’

Birgit Knudsen (Heide, Duitsland, 1975) studeerde Creatieve therapie (bachelor) aan de Hogeschool Arnhem-Nijmegen en psychologie, filosofie (beide bachelor) en cognitieve neurowetenschap (master) aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2008 startte ze aan het Max Planck Institute for Psycholinguistics (MPI), Nijmegen met haar promotieonderzoek, dat werd begeleid vanuit het Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour van de Radboud Universiteit. Momenteel is ze postdoc onderzoeker aan de Universität des Saarlandes in Saarbrücken, Duitsland.

Birgit Knudsen, Infants’ appreciation of others’ mental states in prelinguistic communication. A second person approach to mind reading (Sociale Wetenschappen). Promotiedatum dinsdag 20 maart 2012. Promotor: dhr prof. dr. H. Bekkering, copromotor: dhr dr. U. Liszkowksi (MPI).