Bespreek tijdig gewenste plaats van overlijden

0
673

Mensen sterven het liefst thuis. Desondanks overlijdt veertig procent in het ziekenhuis. Huisartsen en familie zouden de wensen van patiënten tijdig moeten bespreken om aan hun voorkeur tegemoet te komen, zo blijkt uit publicaties van onderzoekers van het NIVEL en VUmc in het Journal of Pain and Symptom Management en Huisarts & Wetenschap.

Tweederde van de patiënten overlijdt niet onverwacht. Veertig procent van hen overlijdt in het ziekenhuis, terwijl slechts twee procent dat wenst. De meeste mensen sterven liever thuis of in het verzorgingshuis. Bij patiënten die in het ziekenhuis overlijden is de huisarts vaak niet op de hoogte van hun wensen. “Je kunt heel veel hulp thuis organiseren”, stelt NIVEL-onderzoeker en huisarts Gé Donker, “als je al vroeg in het proces aandacht schenkt aan de voorkeursplaats van overlijden. Bij patiënten van wie bekend is waar ze willen overlijden, lukt het voor vier van de vijf aan hun voorkeur tegemoet te komen.”

Tijdig bespreken
Huisartsen zouden daarom met patiënten in de laatste levensfase de gewenste plaats van overlijden moeten bespreken, stelt Donker. “Geuite wensen gaan meestal in vervulling. Heel vaak is de huisarts echter niet op de hoogte van de gewenste plaats van overlijden. Huisarts en patiënt of familie moeten daar tijdig over spreken en dit op gezette tijden herhalen. Dit vereist initiatief van de huisarts, vooral bij heel oude patiënten, patiënten met een lage sociaal economische status en patiënten in het ziekenhuis.”

Voorkeur
Van 637 niet onverwacht overleden patiënten uit de peilstation huisartspraktijken van het NIVEL overleed 34% thuis, 16% in het verzorgingshuis, 40% in het ziekenhuis en 10% in een hospice of vergelijkbare voorziening. Bij iets meer dan de helft (54%) was de huisarts op de hoogte van de voorkeursplaats van overlijden. Van deze patiënten wilde 88% thuis overlijden, 10% in een hospice en slechts 2% in het ziekenhuis. Van hen overleden vier van de vijf op de plaats van hun voorkeur.

CMR
Het onderzoek is uitgevoerd met gegevens van de Continue Morbiditeits Registratie (CMR) peilstations van het NIVEL. De CMR-peilstations vormen een representatieve groep van 61 Nederlandse huisartsen in 45 praktijken. Hun patiëntenpopulatie bestrijkt ongeveer 0,8% van de Nederlandse bevolking en is representatief naar regio en naar verdeling over stad en platteland. De peilstation-huisartsen rapporteren wekelijks (waardoor trends zeer snel zichtbaar worden) of op jaarbasis over het vóórkomen van een aantal ziekten, gebeurtenissen en verrichtingen die in routineregistraties ontbreken en daarin niet gemakkelijk zijn op te nemen. De CMR-peilstations bestaan sinds 1970.