Apotheken fors in de min

0
598

De NZa heeft de maximumtarieven voor apotheekhoudenden per 1 januari 2011 verlaagd van gemiddeld € 7,91 tot € 7,50. De lagere tariefinkomsten komen bovenop de te verwachten omzetdaling vanwege verdere uitbreiding van het preferentiebeleid.

Medio december heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de maximumtarieven voor farmaceutische zorg voor 2011 vastgesteld. Hierbij hanteert de NZa als uitgangspunt dat het gemiddelde maximumtarief uitkomt op een bedrag van € 7,50. Het gemiddelde tarief ligt daarmee 5,2% lager dan in 2010, toen het tarief op gemiddeld € 7,91 was vastgesteld. De clawback die apothekers in de geneesmiddelenprijzen moeten doorberekenen, is verlaagd tot 6,82% met een maximum van € 6,80 per verstrekking. In 2009 en 2010 was deze tijdelijk verhoogd tot 8,53%.

De verlaagde tarieven voor apothekers leiden gemiddeld per apotheek tot een vermindering van de tariefinkomsten van bijna € 35.000. Naast de lagere tariefinkomsten zullen apotheken opnieuw de gevolgen ondervinden van fors lagere prijzen vanwege uitbreiding van het preferentiebeleid door diverse verzekeraars. Eerder becijferde de SFK dat deze verdere uitbreiding van het preferentiebeleid op jaarbasis naar verwachting leidt tot een omzetdaling van gemiddeld € 54.400 per apotheek.

Maximaal verhoogd

Naast het maximumtarief kent de tariefbeschikking van de NZa ook een maximaal verhoogd tarief. Er mag uitsluitend een verhoogd tarief in rekening worden gebracht als hieraan een schriftelijke overeenkomst tussen de verzekeraar en de apotheker ten grondslag ligt. Het maximaal verhoogde tarief is niet verlaagd en komt evenals vorig jaar gemiddeld uit op een bedrag van € 10,00. Daarmee is de ruimte tussen het maximumtarief en het maximaal verhoogde tarief toegenomen tot € 2,50. Onder dezelfde voorwaarden als bij het maximaal verhoogd tarief blijft ook de hoogte van de clawblack onderhandelbaar.

Lagere praktijkkosten
Het maximumtarief is gebaseerd op de praktijkkostenvergoeding van een door de NZa gedefinieerde standaardapotheek. Het betreft niet de totale praktijkkosten van een apotheek, maar het bedrag dat de NZa heeft toegerekend aan de aflevering van receptgeneesmiddelen. De systematiek van toerekening is voor 2011, evenals vorig jaar opnieuw gewijzigd, wederom in het nadeel van apotheekhoudenden. De NZa heeft de praktijkkostenvergoeding per 1 januari 2011 naar beneden toe bijgesteld van € 668.527 tot € 620.602. Deze bijstelling is vooral het gevolg van lagere praktijkkosten door in de apotheek doorgevoerde bezuinigingen. Apotheken worden hiervoor door de NZa met een lager tarief gehonoreerd.

Het norminkomen voor de apotheker, dat onderdeel is van de praktijkkosten, is met 1,25% geïndexeerd tot € 109.415. Het norminkomen omvat naast het bruto jaarsalaris ook zaken als sociale lasten, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenbijdrage.

Het bruto salaris voor de apotheker komt daarmee uit € 80.000 per jaar. Vorig jaar werd de indexatie van het norminkomen op aanwijzing van de minister van VWS als bezuinigingsmaatregel achterwege gelaten.

Rekeneenheden
Bij de vaststelling van het gemiddelde tariefbedrag gaat de NZa uit van een jaarlijkse productie van 83.865 rekeneenheden. Het aantal rekeneenheden per apotheek bestaat uit het aantal standaarduitgiftes vermeerderd met de helft van de weekuitgiftes. Deze kunstgreep wordt gehanteerd om de productie van de rekenapotheek te laten corresponderen met het aantal WMG–verstrekkingen dat van toepassing zou zijn geweest bij de oude tariefsystematiek die gold tot 1 juli 2008. Deze door de NZa gehanteerde verhouding komt echter steeds verder van de praktijk te staan.